Verandert de wereld China? Verandert China? Of verandert China de wereld?

De overgang naar een markteconomie zou volgens velen vanzelf ook democratie brengen in China. Na zeven jaar correspondentschap voor NRC Handelsblad in Peking weet Garrie van Pinxteren beter. 'Het zijn de buitenlandse bedrijven die zich aanpassen aan de Chinese waarden en normen', schrijft ze in haar afscheidsartikel. Deel 1 van een serie artikelen van verschillende auteurs over een grootmacht in wording.

Peking Foto AP A network of courtyard houses and hutongs are seen in Beijing Thursday March 23, 2006. Narrow lanes which lead to the walled compounds blanketing much of the Chinese capital, the hutongs are masterpieces in the art of living. For years now, in anticipation of hosting the Olympics, Beijing has been bulldozing the hutongs to make way for the modern homes and new roads the city undeniably needs. Some of the hutongs were dilapidated and dirty, eyesores the city fathers didn't want Olympic visitors to see. (AP Photo/Greg Baker) Associated Press

Met China is iets heel onverwachts gebeurd. In 1989, toen de studenten in opstand kwamen op het Plein van de Hemelse Vrede, vertaalde ik in Nederland het binnenkomende materiaal voor de televisie. Bij het zien van de beelden dacht ik dat China bezig was om zich voorgoed te ontdoen van een falend communistisch systeem dat de bevolking al veel te lang had onderdrukt.

Dat hoopte ik ook: ik had in 1982 als student in China gezien hoe onvrij het dagelijks leven van de meeste Chinezen toen was. Kritiek op de overheid werd alleen binnenskamers en met de grootste omzichtigheid uitgesproken. Mijn vrienden namen een risico door vriendschap met een buitenlander te sluiten, want je werd al gauw beschuldigd van spionage voor een westerse mogendheid. Geen van hen had de mogelijkheid om zijn eigen toekomst te bepalen. De overheid schreef voor welk beroep ze na hun studie zouden uitoefenen en waar ze dat zouden doen.

Het leven was sober en grauw, de hele winter aten we in Peking niets dan rijst met aardappelen, wortelen en uien. Buitenlandse producten als koffie en filmrolletjes waren alleen te koop als je beschikte over buitenlandse valuta. Chinezen kwamen vooral op je af omdat ze harde valuta van je wilden kopen of omdat ze bijvoorbeeld warm wilden douchen op de campus voor buitenlandse studenten. Zomaar contact zoeken met een buitenlander, louter uit interesse en vriendschap, vonden veel Chinezen te riskant.

In 1989 viel de Berlijnse Muur. Op de televisie was te zien hoe de Oost-Duitsers de grens met West-Duitsland overkwamen en hoe ze met tranen in hun ogen spraken over het gevoel van bevrijding na decennia van communistische onderdrukking.

Toen wist ik het zeker: de studentenopstanden in Peking waren weliswaar bloedig door het leger neergeslagen, maar het kon niet lang meer duren of ook de communistische partij van China zou haar machtsmonopolie verliezen. Wij in het westen zouden China bovendien net zo lang blijven boycotten tot de internationaal geïsoleerde communistische partij het roer wel uit handen zou moeten geven.

Een Chinese circusgroep waarvoor ik tolkte, moest door de gebeurtenissen op het Plein van de Hemelse Vrede een geplande tournee door Europa annuleren. De directeur zei me aan de telefoon dat de Nederlandse impresario erop kon rekenen dat de tournee binnenkort alsnog zou plaatsvinden en dat de wereld 1989 weer snel zou vergeten. Ik geloofde hem niet, maar hij kreeg gelijk, op beide fronten.

Nu, zeventien jaar na 1989, zit de communistische partij in China nog steeds stevig in het zadel. De persoonlijke vrijheid en de welvaart zijn in die zeventien jaar weliswaar sterk toegenomen, maar ik heb ook gemerkt dat degenen die de grenzen overschrijden van wat China toestaat, nog net zo meedogenloos worden vervolgd als voorheen.

Zo sprak ik met de leider van een groep boeren die zich verzette tegen de onteigening van hun olievelden. Ik voelde wel hoe bang hij was om in een openbaar restaurant in Peking met me te spreken, maar ik begreep die angst pas echt toen ik een paar maanden later vernam dat hij voor jaren achter slot en grendel was verdwenen voor zijn leidende rol in het boerenprotest.

Toch domineert het thema mensenrechten het publieke debat al jaren niet meer. Zorg om mensenrechten heeft in het buitenland plaatsgemaakt voor bewondering en respect voor een regering die de Chinese economie als kool deed groeien en die daarmee de positie van China in de wereld snel en grondig heeft weten te versterken. Daarmee heeft de Chinese regering, en dus ook de communistische partij, zich internationaal een legitimiteit verworven die ik in 1989 niet voor mogelijk had gehouden.

China voert de welvaartsverhoging van de bevolking aan als rechtvaardiging voor het voortbestaan van de communistische éénpartijstaat. Dat heeft tot nu toe zowel internationaal als in eigen land goed gewerkt. Rijke Chinezen wijzen naar hun nieuwe huis, hun auto en hun buitenlandse vakantie als ze willen onderstrepen dat de partij goed is voor China, armere Chinezen wijzen op hun kleurentelevisie en hun mobiele telefoon.

In het buitenland vindt men dat China gunstig afsteekt bij de voormalige Sovjet-Unie, waar een te snelle omwenteling vooral criminaliteit en armoede bracht. Er is weliswaar sprake van een groeiend aantal volksprotesten in China, maar die komen vooral voort uit woede over overheidscorruptie en wanbeleid, niet uit een principieel verzet tegen de communistische staat.

China's welvaartsverhoging werd vooral mogelijk door een explosief groeiende export. De exportsector werd opgezet met overwegend buitenlands kapitaal. Buitenlandse bedrijven bleken bereid om in China te investeren, niet omdat ze graag vanuit China wilden exporteren, maar omdat zij een potentiële en vrijwel onontgonnen afzetmarkt van 1,3 miljard Chinezen voor zich zagen. Daar heeft de Chinese overheid handig op ingespeeld. Toen ik in 1998 een handelskantoor in de Oost-Chinese stad Hangzhou leidde, hoorde ik veel verhalen van ondernemers die hun in het buitenland gemaakte product graag in China wilden verkopen. De plaatselijke overheid zei daarop tijdens een uitgebreid banket met krab en kreeft dat ze zeer welkom waren, maar dat hun product alleen concurrerend kon zijn als ze het in China, en daarmee goedkoper, zouden gaan maken. Bedrijven die daartoe besloten, kregen in de praktijk vaak nauwelijks toegang tot de Chinese markt. Maar omdat ze nu eenmaal al in China hadden geïnvesteerd, gingen ze er toen maar toe over om vanuit China voor de export te produceren.

Dat het veelal zo liep, was niet toevallig. De overheid had de buitenlandse bedrijven in dat stadium van ontwikkeling vooral nodig als exportmotors en als leveranciers van nieuwe technologie. Het was niet de bedoeling dat er Chinees geld naar het buitenland zou wegvloeien voor de aanschaf van consumptiegoederen die de ontwikkeling van het land niet verder zouden brengen.

Dat China nu over een efficiënte en zeer concurrerende exportsector beschikt, heeft het land dus te danken aan buitenlandse kapitalisten. Die hebben er ook voor gezorgd dat de Chinese communistische overheid stevig in het zadel bleef zitten. China wist en weet de buitenlandse bedrijven goed te manipuleren om vooral China's binnenlandse doelen te dienen, iets waar menig ontwikkelingsland nooit in is geslaagd.

Dat China's onmiskenbare economische opkomst tot nu toe nauwelijks weerslag heeft gehad op het politieke systeem, is een vreemd maar ook gevaarlijk gegeven. Het politieke systeem past niet meer bij de complexe economische en maatschappelijke realiteit, en dat verklaart het groeiend aantal onlusten in het land. China heeft door het verbod op onafhankelijke maatschappelijke organisaties geen werktuigen in handen om onvrede te kanaliseren en in te bedden, waardoor die onvrede vaak pas heel laat, maar dan meteen ook heel heftig, naar buiten komt.

Het is verleidelijk om die groeiende maatschappelijke onrust te zien als voorbode van de val van het communistische systeem in China, als een inleiding tot een democratische omwenteling die mogelijk gewelddadig, maar in elk geval onontkoombaar zal blijken.

Het is ook verleidelijk om juist China's economische groei te zien als inleiding tot politieke veranderingen. Misschien gaat China op basis van die groei vrijwel als vanzelf over op een democratisch politiek bestel, omdat een meerpartijendemocratie uiteindelijk het best denkbare systeem lijkt te zijn voor elk beschaafd en ontwikkeld land. Kijk naar Aziatische voorbeelden als Taiwan en Zuid-Korea, die eerder dan China welvarend werden, en die daarom ook eerder tot een meerpartijendemocratie zijn gekomen.

Toch denk ik dat noch de Chinese overheid noch de meeste Chinezen geloven dat China vroeg of laat de weg van de meerpartijendemocratie op zal gaan. Ik ben er tijdens mijn correspondentschap in China steeds meer van overtuigd geraakt dat dat een visie is die er te klakkeloos vanuit gaat dat de Chinese overheid, of anders in elk geval de 'onderdrukte' Chinese bevolking, het met ons westerlingen eens is dat het westerse democratische systeem het minst slechte en het meest werkbare politieke systeem is dat er tot nu toe door de mensheid is bedacht. Wij mogen het dan zien als superieur aan het communisme, het fascisme en aan de fundamentele islam, maar China's leiders denken daar heel anders over.

Vanaf het begin van de openstelling van China, die door China's voormalig leider Deng Xiaoping in 1979 werd ingezet, hebben China's leiders er binnen de communistische partij nooit doekjes om gewonden: de overname van westerse technologie en kennis is helemaal niet gericht op een omvorming van de Chinese ideologie, maar op de versterking van de Chinese natie. China moet voor alles voorkomen dat het uiteindelijk zal worden opgeslokt door westerse mogendheden, die er altijd op uit zijn om China ideologisch te corrumperen, te verzwakken en om de onafhankelijke Chinese staat uiteindelijk omver te werpen.

Zo waarschuwde de Chinese president Hu Jintao tijdens een toespraak voor partijleden in september 2003 expliciet tegen de gevaren van het westerse gedachtegoed. 'De westerse landen hebben hun pogingen geïntensiveerd om hun visie op normen en waarden over de hele wereld te verspreiden. Als het grootste socialistische land ter wereld [...] zal ons land nog lang geconfronteerd worden met de complotten van vijandelijke westerse krachten, die erop gericht zijn China te verwestersen en te verdelen.'

Als journalist word je ook al snel gerekend tot de westerse krachten die het slechtste met China voor hebben. Dat merkte ik toen ik een keer op bezoek wilde bij een boer wiens broer zijn geld verdient met het inzamelen van afval in de stad. Niemand wilde me vertellen waar de boer precies woonde, en ik werd op mijn mobiele telefoon gebeld dat ik het dorp maar beter zo snel mogelijk kon verlaten, omdat ze niet gediend waren van westerlingen die er alleen maar op uit waren om China zwart te maken.

Ik denk dat China helemaal niet de geleidelijke weg op wil naar democratie volgens westers model. Net als de meeste andere Chinese leiders heeft Hu ook weinig op met glasnost, omdat juist die nieuwe openheid de Sovjet-Unie in zijn ogen ten val heeft gebracht. De Chinese leiders zijn voor niets zo bang als voor instabiliteit en chaos.

Chaos kan in de ogen van de Chinese autoriteiten al snel ontstaan als gewone burgers aan de haal gaan met informatie die niet voor hen is bestemd en die ze door hun beperkte ontwikkelingsniveau niet op de juiste waarde kunnen schatten. Een dergelijk standpunt leidt logischerwijs en structureel tot censuur van het internet en tot beperking van de persvrijheid. Dat de WHO in 2003 dacht dat China zijn lesje had geleerd, toen het na internationale druk meer openheid gaf over de besmettelijke longziekte sars, lijkt me dan ook een duidelijk geval van wishful thinking. Voortaan zou China meer openheid van zaken geven over rampen en ziekten, want het land zou hebben ingezien dat je met het achterhouden van informatie op den duur alleen maar meer ellende aanricht, verwachtte de WHO. Maar bij een grote milieuramp eind vorig jaar in de Noord-Chinese stad Harbin reageerden de autoriteiten precies zoals bij het begin van de sars-epidemie. Ze hielden de ramp net zo lang geheim totdat de paniek door geruchten zo sterk was geworden dat ze wel openheid van zaken moesten geven.

In Harbin sprak ik met een oude vrouw die door haar familie alleen was achtergelaten met twee tonnen drinkwater in een vervallen woning pal naast de zwaar met benzeen vervuilde rivier de Songhua. De lokale autoriteiten hadden haar gezegd dat ze uit haar huis moest, maar ze hadden haar geen andere woning aangeboden. Daarom was ze toch maar in haar huis gebleven, met een deken voor de deur tegen de mogelijk giftige dampen boven de rivier.

Was ze kwaad dat de overheid haar zo had laten zitten? Helemaal niet, ze was juist vereerd dat eerst de overheid, en nu ook de pers de moeite hadden genomen om haar op te zoeken. Alles wat ze aan zorg en aandacht kreeg was meegenomen, het idee dat ze ergens 'recht' op zou hebben, was haar wezensvreemd.

Veel buitenlandse zakenmensen geloven dat hun aanwezigheid in China eraan bijdraagt dat China een opener, democratischer land wordt. Toch zie je in de praktijk juist dat buitenlandse bedrijven zich eerder aan de Chinese normen en waarden aanpassen dan omgekeerd. Het zijn niet de multinationals die China's bedrijfsleven hervormen, maar het is de Chinese overheid die de buitenlandse bedrijven precies daar inpast waar China ze het hardst nodig heeft.

Neem Shi Tao. In september 2005 werd hij gearresteerd omdat hij via een buitenlandse website berichtte over de manier waarop de overheid zijn krant verbood om verslag te doen van demonstraties in China. Hij kreeg tien jaar gevangenisstraf. Volgens mensenrechtengroeperingen kon hij worden opgepakt omdat het Amerikaanse internetbedrijf Yahoo gegevens over het internetgebruik van Shi Tao aan de Chinese overheid had doorgespeeld. Yahoo verdedigde het doorspelen van de gegevens door te stellen dat het zich nu eenmaal te houden heeft aan de nationale wetten van de landen waar het actief is.

Yahoo is niet het enige internetbedrijf dat China helpt bij het uitoefenen van censuur. Op de Chinese versie van de zoekmachine van Google in China kun je geen informatie vinden die de Chinese overheid ongeschikt acht voor haar burgers, en ook Cisco en Microsoft werken binnen de kaders die de Chinese overheid stelt. In die zin heeft niet het westen China, maar China de manier van opereren van westerse bedrijven veranderd.

Juist op het gebied van het internet is de westerse toegeeflijkheid aan Chinese eisen een pijnlijke blamage. Toen China zich een paar jaar terug explosief begon te ontwikkelen als één van de belangrijkste internetgebruikers ter wereld, verwachtten velen dat juist internet hét breekijzer zou worden waarmee westerse normen en waarden China onherroepelijk zouden veranderen in een land dat net als wij transparantie, vrijheid van informatie en daardoor uiteindelijk ook de meerpartijendemocratie zou gaan omarmen. Dat is niet gebeurd, en het is verre van zeker dat dat in de toekomst wel gaat gebeuren

Ook andere multinationals zijn bereid om China dingen toe te zeggen waartoe ze in geen enkel ander land ter wereld bereid zouden zijn. Zo bleek Shell genegen pompstations in China te openen waarop niet alleen de naam van Shell, maar ook die van de Chinese partner vermeld staat, een unicum voor Shell in de wereld. Wal-mart, in Amerika bekend als een bedrijf dat vakbonden weert, stond in China wel toe dat er staatsvakbondsorganisaties actief werden binnen zijn Chinese vestigingen.

Multinationals hebben, vaak terecht, het idee dat ze niet om de enorme Chinese markt en om China's goede en goedkope productiemogelijkheden heen kunnen, als ze de toekomstige groei van hun bedrijf willen veiligstellen. Ze verdedigen hun gedrag in China door te stellen dat ze anders die aantrekkelijke Chinese markt domweg niet op komen. Veel westerse zakenmensen zijn waarschijnlijk ook gewoon blij met een sterke, autoritaire staat, met een land zonder vakbonden waar voldoende goedkope en hardwerkende werknemers voor de multinationals beschikbaar zijn.

Buitenlandse overheidsvertegenwoordigers stellen zich vaak vergelijkbaar op. Ze zijn al snel gecharmeerd van hun zeer vakkundige, goed opgeleide Chinese gespreks-

Vervolg op pagina 34

Verandert China?

Vervolg van pagina 33

partners die 'toch veel opener en moderner' zijn dan ze hadden durven hopen in een communistisch land. Ze krijgen meer en gedetailleerder informatie dan ze hadden verwacht, over het communisme wordt nauwelijks gepraat en ideologische discussies worden gemeden.

China slaagt er zo in om veel diplomaten en andere vertegenwoordigers van buitenlandse staten ervan te overtuigen dat er geen enkele reden is om achterdocht te koesteren tegen het communistische China. Steeds vaker zijn ze van mening dat het Chinese systeem, ondanks ongewenste bijproducten als schendingen van de mensenrechten, het ontbreken van persvrijheid en van een onafhankelijke rechtspraak, uiteindelijk zo slecht nog niet is. En degenen die hier nog niet van overtuigd zijn, troosten zich met de gedachte dat overleg met China uiteindelijk zal helpen. De deur moet open blijven.

De Chinese leiders lijken er op hun beurt niet zichtbaar van overtuigd dat het westerse politieke systeem bij nader inzien ook wel wat te bieden heeft. Zij zien democratie nog steeds vooral als ongewenst, als een gegarandeerd recept voor chaos, een chaos waarin zij makkelijk hun machtspositie en misschien zelfs hun leven kunnen verliezen. Zij kijken eerder naar Singapore, toch meer een dictatuur dan een democratie maar desondanks zeer welvarend, dan naar Amerika als ze een model voor de toekomst zoeken.

De gehechtheid aan een autoritaire staatsvorm heeft zeker ook met het confucianisme te maken. Niet het idee dat iedereen gelijk is, maar het idee dat er een duidelijke hiërarchie nodig is om niet alleen een staat, maar ook een gezin of een bedrijf doelmatig te besturen staat centraal. Respect voor een meerdere is een hoge waarde en omgekeerd is het de taak van een gezagsdrager om als een vader voor zijn onderdanen te zorgen. Hier zijn veel Chinezen nog steeds diep van overtuigd. Hierdoor kan de regering op brede steun van de bevolking rekenen.

Daarbij moet ik wel zeggen dat het moeilijk is om te peilen wat de Chinese leiders nu werkelijk denken. Naar buiten toe blijven de gelederen hermetisch gesloten, maar het is zeker niet ondenkbaar dat, zoals de Britse politicoloog en Chinakenner Anthony Saich vorig jaar tegen deze krant opmerkte, de Chinese leiders diep in hun hart wel meer democratie zouden willen, maar gewoon niet weten hoe. 'Als er iemand was die de leiders kon vertellen hoe ze van A naar B kunnen komen zonder dat het hele systeem uit elkaar valt en ze de kans riskeren zelf in de gevangenis terecht te komen, dan zouden ze dat misschien wel doen', aldus Saich.

Een experiment in het zetten van voorzichtige stapjes in de richting van een volledige democratie, was Hongkong. De grap die vóór de communistische overname van de Britse kroonkolonie in 1997 veel werd gemaakt, was dat niet China Hongkong, maar Hongkong China uiteindelijk zou overnemen. Bedoeld werd dat Hongkong, dat zoveel rijker, zoveel minder corrupt en zoveel internationaler georiënteerd was dan China, het vasteland met zachte hand zou kunnen overhalen tot een volledig kapitalistisch economisch systeem en meer democratie. Maar nu lijkt het er meer op dat het van het laatste niet zal komen.

Het hervormingsproces, waarbij uiteindelijk alle zetels in het parlement rechtstreeks verkiesbaar zouden kunnen worden en waarbij ook de hoogste leider van Hongkong een werkelijke volksvertegenwoordiger en geen handlanger van Peking meer zou zijn, is inmiddels volledig vastgelopen. De vrijheid van meningsuiting is inmiddels beperkter dan onder de Britten, en ook op het gebied van de politieke cultuur heeft China Hongkong meer veranderd dan andersom. Het viel me bij mijn laatste bezoek aan Hongkong op hoe bang gewone mensen waren geworden om vrijuit met journalisten over politiek te spreken.

China lijkt voorlopig te kiezen voor een autoritair systeem met confucianistische en nationalistische trekken, waarbij de leiders als verlichte despoten proberen om zo goed mogelijk voor hun kinderen, de burgers, te zorgen. Toch is het China dat ik in 2006 verlaat een veel prettiger plaats voor mijn vrienden dan het China dat ik in 1982 leerde kennen. Dat komt vooral doordat ze een veel gevarieerder leven leiden dan toen. Ze kunnen vrijelijk in het openbaar over de politiek en maatschappelijke misstanden praten. Ze hebben meer geld, en kunnen ook daardoor hun leven veel meer naar eigen keuze inrichten. Ze hebben er bovendien alle vertrouwen in dat het China van hun kinderen welvarender en machtiger zal zijn dat het China waarin zij zelf opgroeiden.

Dit vooruitgangsgeloof heeft in China veel energie losgemaakt. Het leidt tot een bijna tastbaar optimisme dat ik associeer met wat mijn ouders vertellen over de periode van wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Een dergelijk optimisme vind ik in het hedendaagse Nederland in ieder geval niet terug. Maar echte wereldburgers zijn de Chinezen nog niet. China is een monoculturele maatschappij, zonder pluralisme. Terwijl bijvoorbeeld Taiwanezen zich realiseren dat er een ander perspectief dan het Chinese mogelijk is, is dit besef in communistisch China nog nauwelijks aanwezig. Wie niet voldoet aan Chinese normen of wie er niet Chinees uitziet, is al gauw amusant en eigenlijk een beetje gek. Ik heb me dan ook vaak een echte vreemdeling gevoeld, hoe hartelijk ik ook werd ontvangen. Veel Chinezen veronderstelden dat ik China eenvoudigweg nooit zou kunnen begrijpen, simpelweg omdat ik een blanke huid heb en ik er niet geboren ben. Wie weet hebben ze wel gelijk, maar het heeft me geleerd hoe irritant het denken in 'wij' en 'zij' is als je toevallig niet bij de overgrote meerderheid hoort.