Uit het schuttersputje

De rechterlijke macht in Nederland kampt met een koppig gebrek aan openheid, aldus de Tilburgse hoogleraar strafrecht Theo de Roos. Doorbreek de oestercultuur. Zorg dat rechters voeling hebben met de samenleving.'

'In Nederland is de rechtspraak puur professioneel', zegt Theo de Roos, hoogleraar strafrecht aan de Universiteit van Tilburg, advocaat te Amsterdam en als deskundige frequent aanwezig in de media. En al is het vertrouwen van de burger in het rechtssysteem doorgaans groot, het gevolg is toch een introverte rechterlijke macht die zich in zijn schuttersputje afschermt van de boze buitenwereld.'

Maar die buitenwereld eist verantwoording. Soms op hoge toon, zoals opiniepeiler Maurice de Hond. Die voert campagne in de Deventer moordzaak, beschuldigt het openbaar ministerie en rechters van blunders en dwalingen en wil de rechtsstaat 'terug winnen op de professionals'. Natuurlijk mag De Hond als verontruste burger verontwaardiging ventileren en eisen dat degene die is veroordeeld direct in vrijheid wordt gesteld', zegt De Roos. Maar minister Donner heeft van zijn kant groot gelijk dat je niet zomaar een uitspraak van de rechterlijke macht opzij kunt zetten, dat we naar een bananenrepubliek afglijden als bekende persoonlijkheden rechterlijke oordelen gaan afdwingen.'

Openheid is niet de sterkste kant van de rechterlijke macht, vindt De Roos. Neem de Schiedammer parkmoord. Daar zijn grote fouten gemaakt waardoor aanvankelijk de verkeerde persoon is veroordeeld. Inmiddels hebben de rechtbank van Rotterdam en het hof van Den Haag aan 'zelfreflectie' gedaan, maar de gewenste helderheid en herstel van vertrouwen in politie en justitie heeft dat niet opgeleverd. Het 'geheim van de raadkamer', dat wettelijk verbiedt beraadslagingen over een vonnis naar buiten te brengen, zou dat blokkeren. Ik vind dat een defensieve houding, het getuigt van een oestercultuur. Er zijn zoveel meer mogelijkheden dan citeren uit het beraad in de raadkamer. Overwegingen, valkuilen: je kunt ze ook in geabstraheerde vorm naar buiten brengen, bijvoorbeeld in jaarverslagen. Laat merken dat je wat geleerd hebt.'

vleugel

Thuis in Utrecht-Oost - op de vleugel in de voorkamer bladmuziek voor piano en vijf blazers - legt De Roos uit hoe het kan dat de rechterlijke macht moeite heeft met leren. Ik doel vooral op de zittende magistratuur, op de rechters', zegt hij. Het Openbaar Ministerie staat als speelbal van de politiek toch meer in het volle leven. Toen ik onlangs als raadsheer-plaatsvervanger van het hof te Leeuwarden zitting had, vertelde de president van de strafkamer me over een bijeenkomst waarop raadsheren onderling spraken over arresten - uitspraken van het hof. Het was hem enorm meegevallen, zei hij, er werd in alle openheid gesproken, zonder elkaar vliegen af te vangen. Kortom, de heersende cultuur is dat je op een eilandje zit en nauwelijks overleg hebt. Kwaliteitsborging via overleg is nieuw.'

Andere voorbeeld: op verzoek van minister Donner van Justitie schrijft De Roos een advies over juryrechtspraak - door Joost Eerdmans (LPF) tot politiek thema gemaakt. In Leiden loopt op dit moment een onderzoeksproject naar lekeninbreng', zegt hij. Ik zit in de begeleidingscommissie, samen met een rechtbankpresident. Die wist te vertellen dat 95 procent van de Nederlandse rechters gekant was tegen welke lekeninbreng dan ook. Vooral jury's zijn een schrikbeeld. Maar vraag je 'waarom', dan stuit je vooral op vooroordelen.'

Het afgeschermde karakter van de rechterlijke macht heeft ook zijn voordelen. In Amerika worden rechters gekozen en benoemingen van rechters in België zijn soms politiek gekleurd', zegt De Roos. Cliëntelisme kennen wij niet, rechters zijn onafhankelijk, alleen bij de Hoge Raad kijkt het parlement naar benoemingen. Het zijn brave nette politiek correcte mensen, allemaal stemmen ze D66 - tegenwoordig ook GroenLinks - en allemaal spelen ze viool.'

Dé megazaak van de afgelopen tijd was het Hofstadproces. Alleen al het uitspreken van het vonnis, op vrijdag 10 maart 2006 beurtelings door drie rechters, vergde uren. De uitspraak van de Rechtbank te Den Haag inzake het Hofstadproces is genuanceerd en overtuigend', zegt De Roos. Passages die ons allen aangaan - wat is hier aan de hand en waarom is dit erg - zijn helder en begrijpelijk voor een breed publiek onder woorden gebracht. De algemene teneur van de reacties, ook die bij vakbroeders binnen het strafrecht, was positief. Behalve dan bij Ayaan Hirsi Ali, die stond direct klaar met kritiek. Kritiek die verraadde dat ze het vonnis slecht had gelezen. Eigenlijk schandalig.'

De Roos is van plan het Hofstadproces op te nemen in zijn verzameling best practices: strafzaken die blijk geven van maatschappelijke betrokkenheid bij rechters. Ook het arrest (in hoger beroep) van het Gerechtshof Amsterdam in de zaak tegen Volkert van der G., in 2002 de moordenaar van Pim Fortuyn, rekent hij tot die categorie. Dat soort 'goede' uitspraken ga ik inventariseren en analyseren', zegt hij. Ik wil een kwaliteitscriterium ontwerpen, plus een meetinstrument. Welke strafrechterlijke beslissingen in zaken die sterk de aandacht hebben getrokken zijn goed ontvangen? Vonnissen moeten zich waar mogelijk óók richten op een geïnteresseerd, breed publiek.'

Aan de orde bij het Hofstadproces was de vraag of ons strafrecht wel voldoende is toegerust als wapen in de strijd tegen het terrorisme, aldus De Roos. Het antwoord dat het vonnis geeft is een volmondig 'ja'. Volgens de rechtbank is de Hofstadgroep een hechte en duurzame organisatie met een misdadig en terroristisch oogmerk. Noodgedwongen had het openbaar ministerie, afgezien van de granatengooiers in het Haagse Laakkwartier en het doorgeladen machinepistool in een auto in Amsterdam, alle kaarten op het deelnemen aan een misdadige en terroristische organisatie gezet. Andere delicten, zoals het voorbereiden van gewelddadige aanslagen of haatzaaien, bleken niet te bewijzen.

De Hofstadgroep was een organisatie met, zoals het geconfisqueerde materiaal liet zien, brisant gedachtengoed dat, zoals het hof het formuleerde, de basis legde voor latere delicten als opruiing, haat zaaien, bedreiging en noem maar op. Het feit van die groep, met bijbehorende dynamiek, creëerde een enorme risicofactor die het huidige strafrecht effectief kan aanpakken. Het wettelijk strafbaar stellen van het voorbereiden van een misdrijf dateert trouwens al van de jaren negentig; het enige dat de Wet terroristische misdrijven daar in 2004 aan toevoegde was de samenspanning. Het Hofstad-vonnis is een overtuigend verhaal en het verwijt van de advocaten dat het strafrecht verwordt tot een soort 'gedachtepolitie' is niet terecht.'

Dat het Openbaar Ministerie in zijn aanpak van het moslimextremisme keer op keer de mist zou zijn ingegaan, vindt De Roos overdreven. Het beeld is vertekend door alle aandacht die het proces tegen Samir A. heeft getrokken. Toen 'strafbare voorbereiding' niet te bewijzen viel, volgde vrijspraak. Omdat het allemaal uitermate klungelig in elkaar stak, die plannen en zogenaamde explosieven, was er geen zaak. Dat is geen ramp, het is all in the game. Zorgelijk zou het geweest zijn wanneer niemand van de Hofstadgroep was veroordeeld. Dan krijg je direct pleidooien om de wet te verruimen. Foute gedachten zijn in Nederland niet strafbaar. '

verlicht

Zijn behoefte aan reflectie heeft Theo A. de Roos (1948) meegekregen van thuis, een verlicht gereformeerd domineesgezin in het Gelderse Brummen. Mijn vader was sociaal-cultureel en wetenschappelijke geïnteresseerd. Graag had hij willen promoveren, maar helaas kwam het er niet van. Mijn moeder, progressiever en kiener dan mijn vader, was voorzitter van de gereformeerde vrouwenbond. Ze had een pacifistische inborst en keerde zich bijvoorbeeld tegen de Amerikaanse oorlogspolitiek. In de aanloop naar gemeenteraadsverkiezingen leek ze op een verkiesbare plaats van de ARP te komen, maar een antirevolutionaire mannenbroeder ging voor.'

Op het gymnasium deed De Roos aanvankelijk alfa én bèta, maar dat bleek toch te heftig'. Bij Latijn en Grieks beperkte hij zich niet tot de te prepareren tekstjes maar zocht hij in zijn vaders boekenkast naar verdieping. Nederlands vond ik een mooi vak - zelfs Poot wist de leraar boeiend te brengen - maar vanwege het maatschappelijke aspect heb ik toch voor rechten gekozen. Strafrecht doen, en dan de advocatuur in. Altijd die vraag: jij gaat zeker je vader achterna? Nou nee, no way! Niettemin ging ik naar de VU. Dat was prima want het was Amsterdam, de grote stad, geweldig. En de VU-nestgeur had ook iets aantrekkelijks, beroemde namen die thuis over tafel gingen doceerden daar: Gerbrandy, De Gaay Fortman en Diepenhorst.'

In 1976 was De Roos voorzitter van de VVDM, de vereniging van dienstplichtige militairen. Buitengewoon leerzaam en spannend. Dat actie voeren heeft me nog een dossier opgeleverd bij de militaire inlichtingendienst. Via de wet openbaarheid van bestuur heb ik het opgevraagd. Na lang doorprocederen stelde de Europese Commissie voor de Mensenrechten in Straatsburg me in het gelijk. 'Zeer intelligent en zeer gevaarlijk', stond in mijn dossier, 'vooral ver van de troepen houden'.'

In 2000 publiceerde De Roos het boek Het grote onbehagen: emotie en onbegrip over de rol van het strafrecht. Het markeerde een belangrijke wending in zijn carrière. Had hij in 1991 een deeltijdhoogleraarschap aan de Universiteit van Maastricht aanvaard met een rede over de rol van de verdediging in strafzaken, toen hij zes jaar later fulltime hoogleraar werd in Leiden wilde hij zijn horizon verbreden. Ik wilde onderzoek doen naar het standpunt van de burger. Hoe beleeft die de strafrechtpleging? Hoe verloopt de communicatie met de burger? Daar zitten belemmeringen en zo kwam ik onder meer uit bij slachtoffers - en bij Slachtofferhulp Nederland, waar ik nu vice-voorzitter ben. Mijn interesse op dat gebied is uitgemond in 'Het grote onbehagen'. Conclusie: het schort nogal met de communicatie tussen strafrechtsysteem en burger.'

Als voorbeeld van hoe burgers kunnen meedenken noemt De Roos een experiment van Het Nieuwsblad van het Noorden samen met de rechtenfaculteit van de Rijksuniversiteit Groningen. Deelnemende burgers werden voorgelicht over een strafzaak en konden zelf een oordeel uitspreken. In tegenstelling tot enquêtes die zouden uitwijzen dat Nederlanders vinden dat er veel te licht gestraft wordt, kwamen de vonnissen aardig overeen met die van rechters. Zulke burgerpanels zouden er meer moeten komen, ook al omdat ze het wantrouwen bij de rechterlijke macht voor lekeninbreng kunnen wegnemen.'

tunnelvisie

Zaken als de Schiedammer parkmoord, waarin politie en Openbaar Ministerie bevooroordeeld opereerden en rechters verzuimden dóór te vragen zodat twijfels van het Nederlands Forensisch Instituut niet aan het licht kwamen, kun je niet afdoen als een incident, vindt De Roos. Dat is ook niet gebeurd, ook niet door de minister. Je kunt er van leren: tegenspraak organiseren, alert zijn op tunnelvisie, professionele aanpak op alle niveaus, in alle schakels van de keten. Niet alleen in de grote zaken, ook bij routinewerk.

Grote zorg is de zware case load, de druk om quota te halen. Unus-rechtspraak, zelfs in zaken waar twaalf maanden onvoorwaardelijk wordt opgelegd, is kwalitatief toch minder dan rechtspraak met zijn drieën. Nederland heeft van oudsher weinig geld over voor rechtspleging. Het moet allemaal efficiënt, zware zaken worden meestal in een paar uur afgedaan. Die druk bedreigt zorgvuldigheid en kwaliteit.'

De Roos pleit voor strafrechtuitoefening met een open mind'. Betrek leken bij de rechtspraak. Leg beter uit. En leer juristen in opleiding open staan voor signalen vanuit de maatschappij én voor het kritisch filteren van die signalen. Leer ze waar gevaarlijke zwakke plekken in ons strafrechtsysteem zitten die leiden tot zelfgenoegzaamheid en arrogantie, tot introversie en afscherming tegen kritiek. Heilzame afscherming van democratische controle kan zich tegen het systeem keren als het rechters ontbreekt aan voeling met wat er leeft in de maatschappij.'

Dit is aflevering 6 in een maandelijke serie portretten van Nederlandse wetenschappers van naam en faam.