Ontelbare doden

Komende woensdag is het twintig jaar geleden dat eenheid vier van de kerncentrale van Tsjernobyl ontplofte. Een reeks nieuwe rapporten voorspelt de gevolgen. Die zijn erger dan het even leek. Karel Knip

Een werknemer keert terug naar huis van zijn werk in de kerncentrale van Tsjernobyl, tien jaar na de ramp. Foto Sake Elzinga 05-03-1996-Oekraine, Tsjernobyl. 10 jaar na de ramp met de kerncentrale, een werknemer keert terug van de centrale. Foto: Sake Elzinga/Hollandse Hoogte Elzinga, Sake

Veel aandacht kreeg deze week het nieuwste Tsjernobyl-rapport van Greenpeace. Maar liefst 93.000 doden zouden zijn gevallen als gevolg van de ramp met kernreactor 4 in 1986. Dat staat in schril contrast met de vierduizend doden die het Internationale Atoomenergie-Agentschap IAEA vorig jaar september nog telde. Dat rapport, op basis van conceptcijfers van de Wereldgezondheidsorganisatie WHO, werd door bijna iedereen voor de eindstand gehouden.

De IAEA camoufleert de werkelijke omvang van de ramp', aldus Greenpeace, dat de IAEA niet al voldoende onafhankelijk beschouwt. Anti-kernenergie organisaties hadden altijd geroepen dat er duizenden, ja zelfs tienduizenden doden waren gevallen of zouden vallen, maar volgens IAEA en WHO waren tot eind 2005 niet meer dan zestig doden te betreuren en konden er de komende decennia hooguit vierduizend bijkomen.

Wat is de waarheid? Vierduizend doden niet, in ieder geval. Dat bleek vorige week toen de WHO haar definitieve rapport presenteerde. Hoewel de organisatie in de definitieve versie de facto de conclusies handhaaft van vorig jaar, liet ze de aanbieding vergezeld gaan van een persbericht dat een zeer pijnlijke omissie goedmaakt. Weliswaar worden in de meest vervuilde gebieden van de oude Sovjet-Unie in de komende decennia vierduizend kankerdoden extra verwacht. Maar in de minder vervuilde gebieden zullen er nog eens vijfduizend bijkomen. Totaal: negenduizend.

jubileum

Wat klopt dan wel? De afgelopen maanden is er, ter ere van het twintigjarig jubileum van 'Tsjernobyl', een reeks studies verschenen. De dodencijfers liggen tussen die van de WHO en die van Greenpeace. Zo is er The Other Report on CHernobyl (TORCH) van de Britse onderzoekers Ian Fairlie en David Sumner: 30 à 60.000 kankerdoden. En deze week werd de rij afgesloten met een artikel in de International Journal of Cancer van de International Agency for Research on Cancer (IARC). Elisabeth Cardis c.s komt er tot de uitspraak dat in àlle radioactief vervuilde gebieden van heel Europa, van Dublin tot Moskou, tot aan 2065 naar verwachting ongeveer zestienduizend kankerdoden zullen zijn toe te schrijven aan 'Tsjernobyl'.

Voorlopig lijkt het verstandig het meeste gezag toe te kennen aan het WHO-rapport. Omdat dat het karakter heeft van een consensus-studie, omdat het terugvalt op toegankelijke, peer reviewed literatuur en ook omdat dat niet in tegenspraak is met de conclusie van de IARC. Maar de epidemiologie van de kwestie is niet eenvoudig. Het was lastig om uit te rekenen aan welke doses de verschillende getroffenen hebben blootgestaan, omdat de gezondheidstoestand in Wit-Rusland en Oekraïne toch al niet best was en omdat een betrouwbare gezondheidsstatistiek feitelijk ontbrak. De kans dat er in de radioactief vervuilde gebieden veel gezondheidsproblemen worden gevonden, louter omdat er nu beter naar wordt gezocht, is groot.

De WHO-studie beperkt zich tot de effecten in Rusland, Wit-Rusland en Oekraïne en onderscheidt vier categorieën getroffenen. De hulpverleners en de schoonmakers ('liquidators') die in 1986 en 1987 optraden binnen een straal van 30 kilometer rond de centrale; de evacués uit dat gebied die al in 1986 werden verhuisd; en de omwonenden die bleven waar ze waren. Ze worden verdeeld in de groep die in matig radioactief besmet terrein leeft en de groep die leeft in gebied dat maar heel licht is vervuild. De grens tussen die twee is gesteld op een vervuilingsgraad van 555 kBq/m2 (kilobecquerel per vierkante meter; gebaseerd op aanwezigheid van cesium-137, op dit moment nog de meest stralingsactieve vervuiler). Een besmettingsgraad van minder dan 37 kBq/m2 geldt als niet vervuild.

Zo goed en zo kwaad als dat ging heeft men de stralingsdoses die individuen en groepen opliepen gereconstrueerd. Het meest dramatisch zijn de gevolgen geweest voor de liquidators van wie sommigen zo'n hoge dosis opliepen dat ze acute stralingsziekte ontwikkelden en daaraan binnen enige maanden stierven. Ook de duizenden gevallen van schildklierkanker die zich hebben voorgedaan zijn rechtstreeks aan 'Tsjernobyl' toe te schrijven, al was het maar omdat de hoge stralingsactiviteit in de schildklier (door opname van radioactief jodium, vooral uit besmette melk) te meten was. Maar veel sterfte heeft dat niet opgeleverd, omdat deze kanker weinig uitzaait en de schildklier makkelijk is te verwijderen. Extra leukemie (bloedkanker, een notoire 'vroege' kanker) is alleen bij liquidators gevonden: ongeveer twee keer zoveel als normaal.

Vreemd genoeg zijn daarmee alle lichamelijke effecten genoemd die onomstotelijk aan Tsjernobyl-straling zijn toe te schrijven. Misschien dat er extra hart- en vaatziekten onder liquidators en meer patiënten met borstkanker in de meeste vervuilde gebieden aan moeten worden toegevoegd. In de cijfers over andere vormen van kanker zit zoveel statistische ruis dat - nog - geen toewijzing mogelijk is. Dat geldt ook voor miskramen, misvormingen en andere genetische defecten.

De voor de komende decennia verwachte kankersterfte wordt daarom steeds afgeleid uit de stralingsdoses die de diverse getroffenen hebben opgelopen. Langlopend onderzoek aan de overlevenden van de atoomaanvallen op Hiroshima en Nagasaki heeft een verband opgeleverd tussen dosis en effect en zó komt de WHO tot de voorspelling dat in de matig vervuilde zones (> 555 kBq/m2) waarschijnlijk vierduizend doden zullen vallen. In de veel uitgestrektere licht vervuilde gebieden komen er nog eens negenduizend bij. De kersverse IARC-studie brengt dit getal voor heel Europa, inclusief Wit Rusland, Oekraïne en een stuk Rusland, op zestienduizend.

Men houdt een slag om de arm want het dosis-effect-verband is voor heel lage stralingsdoses onzeker. Omdat zo'n 30 procent van de mensen vroeg of laat sowieso kanker krijgt en er jaarlijks in Europa honderdduizenden kankerdoden vallen is het zeer de vraag of de verhoogde kankersterfte ooit statistisch kan worden teruggevonden, zeggen WHO en IARC.

Maar pijnlijke verrassingen zijn niet uitgesloten, concluderen twee (journalistieke) artikelen in Nature van deze week. De meeste vormen van kanker manifesteren zich pas 25 jaar of meer na blootstelling aan straling. En de aard van de blootstelling rond Tsjernobyl was heel anders dan in Hiroshima en Nagasaki. De overlevenden van de atoomaanvallen werden gedurende korte tijd aan hoge uitwendige straling blootgesteld. Rond Tsjernobyl liep men vooral een inwendige besmetting op. De kans is daarom groot dat een onjuiste dosis-effect-relatie wordt gehanteerd. Het effect van heel lage doses blijft sowieso moeilijk te bepalen.

opschroeven

In beginsel kan elke onderzoeker in zijn eigen studie het te verwachten aantal doden 'opschroeven' door uit te gaan van een wat hogere stralingsbelasting dan WHO en IARC, een ongunstiger dosis-effect-relatie en een hogere mortaliteit voor de opgelopen soorten kanker. In de ter beschikking staande gegevens zit immer veel statistische speling. De TORCH-studie van Fairlie en Sumner gaat er vanuit dat reactor 4 zo'n 30 procent meer radioactief materiaal uitwierp dan door anderen is aangenomen. Ook heeft TORCH gebieden met een - minimale - besmettingsgraad tussen 4 en 40 kBq/m

Hoe het Greenpeace-rapport tot zijn hoge schatting komt, is niet eenvoudig te achterhalen. Het steunt bijna volledig op Oost-Europees onderzoek. De schatting dat er tussen 1986 en 2056 in heel besmet Europa 93.000 kankerdoden zullen vallen, komt uit een studie van de Witrussische hoogleraar dr. M.V. Malko die voor zover valt na te gaan nooit in westerse bladen publiceerde. Zijn werkwijze wordt niet uitgelegd. Wel valt op dat hij voor bijvoorbeeld schildklierkanker een heel hoge mortaliteit aanneemt: 10 procent. Volgens de WHO is die rond Tsjernobyl minder dan 1 procent. Hoe dramatisch de getallen van TORCH en Greenpeace ook lijken: ze vallen goedbeschouwd binnen de enorme onzekerheidsmarges van de WHO. Bedacht moet ook worden dat ze voor een heel uitgestrekt gebied gelden. In de statistiek blijven ook deze extra doden waarschijnlijk onzichtbaar.

Vandaag in het Zaterdags Bijvoegsel een reportage over Tsjernobyl.