Niemand weet zeker dat hij zijn kind ziet opgroeien

'Eindelijk groeit er weer iets moois in me. Op 1 mei, de Dag van de Arbeid, ben ik uitgerekend. Dan ga ik bevallen van mijn tweede kind. En heel kort daarna schuif ik de scan in om te zien hoe de kanker zich in mijn lichaam heeft ontwikkeld. De combinatie van leven en dood in mij, vind ik heel emotioneel. Iets in mij wil me dood maken, en tegelijkertijd geef ik binnenkort leven aan een nieuw wezen.

Annemieke Raatsie: „Eerst hoorde ik op het schoolplein: ‘Moet je kijken hoe ze eruit ziet, die kanker zal wel meevallen.’ Nu zeggen ze: ‘Belachelijk dat ze een kind op deze wereld zet’. ” Foto Vincent Mentzel Annemiek Raatsie,RTL. kankerpatiënt foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Amstelveen, 11 april 2006 Mentzel, Vincent

Zes jaar geleden kreeg ik tijdens mijn werk als opnameleider bij een uitzending van Barend en Van Dorp een bult in mijn hals. Ik kreeg het benauwd. Nog die avond ben ik naar het AMC gegaan. Er werd een KNO-arts opgetrommeld. Een week later kon ik terugkomen voor de uitslag. Het was de dag voor de vuurwerkramp, maar toen voltrok zich mijn ramp. Ik kreeg te horen dat ik de meest slechte vorm van schildklierkanker heb, met in het gunstigste geval nog twee jaar te leven. Ik heb nog nooit zo hard gehuild als toen. En dan sta je in je eentje buiten. Het was een heel slechte B-film. Mijn dochter was toen pas twee jaar. Ik dacht: ik zie Beryl niet eens opgroeien. Thuis ben ik iedereen gaan bellen. Ik heb ook gevraagd om niet anders tegen me te gaan doen. Vind je me afschuwelijk, blijf dat dan vooral vinden.

Een paar mensen hebben hun best voor me gedaan zodat ik meteen kon langskomen bij Bob Pinedo, de oncoloog van het VU ziekenhuis, en de endocrinoloog Coen Netelenbos. Kort daarop heb ik mijn eerste grote operatie gekregen, waarbij ze de schildklier hebben weggehaald. In mijn hals zit inmiddels een hele rivierdelta met vertakkingen van latere operaties. Ik heb iets van twintig operaties achter de rug.

Mijn vorm van schildklierkanker komt het minst vaak voor. Er zijn wereldwijd iets van 600 gevallen met het medulair schildkliercarcinoom. Hij groeit heel langzaam, maar je kan hem niet met straling of chemo weghalen. Alleen operatief, dus je loopt altijd achter de feiten aan. Bij mij is het uitgezaaid, via mijn lymfeklieren wandelt het door mijn lijf. Er zit er nu één bij mijn lever, weliswaar minuscuul, maar toch.

Afgelopen september was ik met mijn nieuwe vriend in Turkije met vakantie. Ik voelde aan mijn borsten dat ik zwanger was. We hebben daar een test gekocht voor 50 cent. Uitslag positief. John probeerde wel zes keer de Turkse bijsluiter te lezen of het klopte. Inmiddels heb ik het staafje ingelijst en in de babykamer gehangen. John en ik waren nog maar drie maanden bij elkaar, we vonden het natuurlijk fantastisch om samen een kind te krijgen, maar ja, ik heb wel kanker. Wat zou die kanker gaan doen, met mij, met de baby?

Mijn artsen wisten niets van de combinatie zwanger en mijn type kanker. Als ze maar één procent getwijfeld zouden hebben over mogelijke negatieve gevolgen, dan zouden we de zwangerschap afbreken. Dat hadden ze niet, John en ik besloten door te zetten.

Eerst hoorde ik op het schoolplein over me zeggen: 'Moet je kijken hoe ze eruit ziet, die kanker zal wel meevallen'. Nu zeggen ze: 'Belachelijk dat ze een kind op deze wereld zet. Wat een egoïst.' Ik negeer die types, want dat is alleen maar negatieve energie, maar ik onthoud ze wel. Ik vind het niet egoïstisch, ik geloof er echt heilig in dat ik mijn kinderen zal zien opgroeien, anders was ik er mischien ook niet aan begonnen. Hoe zeker zijn zij ervan dat zij hun kinderen zien opgroeien? Kanker zal mijn leven niet beheersen. Ik beheers de kanker. Misschien ben ik wel de uitzondering op de regel. Wie weet is dat niet realistisch. Toch, als ik ook maar een millimeter toegeef aan het gevoel dat ik de pijp uitga, dan ben ik verloren. Ik ben ervan overtuigd dat mijn positieve instelling een gunstige invloed heeft op mijn ziekte. Als ik de hele dag thuis zou zitten huilen, is iedereen na een half jaar afgehaakt. Nu heb ik een grote groep mensen om me heen die me steunen. Bovendien, als ik mijn dochter niet had gehad, was ik niet zo strijdbaar geweest. Natuurlijk ben ik af en toe doodsbang, maar dat laat ik aan heel weinig mensen zien. Ik ben dan ook erg chagrijnig. Gelukkig zijn die momenten zeldzaam, want ik kan niets met dat soort negatieve gevoelens.

Voordat ik met John ging, was ik vrijwel alleen. Een jaar na de kanker ben ik gescheiden. Mijn vader is een paar jaar geleden overleden. Aan kanker. Mijn broertje is zwakbegaafd en mijn moeder heb ik al vijf jaar niet meer gezien. Die kon het niet aan. Ik vind het zielig voor haar dat ze zo arm in haar gevoel is. Ik mis háár niet, wel een moeder. Het gekke is dat ik thuis wel een leuke jeugd heb gehad. Opgegroeid in de Amsterdamse Jordaan in een heel burgerlijk gezin. Natuurlijk waren er wel problemen, maar die begreep ik pas later. Op de middelbare school werd tijdens geschiedenisles de Tweede Wereldoorlog behandeld. Mijn leraar vertelde over de kampen en dat joden een nummer in hun arm kregen getatoeëerd. Ik stak mijn vinger op en zei: 'Dat heeft mijn vader ook. Daar heb ik mee leren tellen.' De leraar in shock. Die avond thuis aan tafel - we aten altijd om zes uur - vroeg ik het. Mijn vader sloeg met zijn vuist op tafel. Grote paniek. 'Hier wordt niet over gesproken. Je weet nooit wie je vijand is. Zeg nooit dat je joods bent.' Het grote geheim kwam boem naar buiten. Mijn beide ouders waren joods. Mijn moeder was als kind ondergedoken, en mijn vader had Auschwitz overleefd. Nooit geweten. Ik ben op eigen kracht helemaal in dit onderwerp gedoken. Ik ben er van alles over gaan lezen en heb contact gezocht met het Joods Maatschappelijk Werk. Zij hebben me enorm geholpen in mijn zoektocht naar het jodendom. Wat zijn de riten en rituelen, hoe vier je sabbat, wat zijn de gewoontes tijdens sjoel. Al vijftien jaar ga ik elke vrijdagochtend naar joodse les. Die kring is mijn nieuwe familie geworden. Ik voel me er veilig en thuis. Mijn vader is uiteindelijk ook teruggekeerd naar het joodse geloof, en hij was heel trots op mij dat ik er openlijk voor uitkwam.

In 2003 zat er een grote tumor in mijn hoofd in de bovenste lymfeklier vlak bij de hersenstam. Dat zou een heel zware operatie worden. Vier vrienden richtten een 'vangnet' voor me op. De dag voor deze operatie heeft één van hen samen met mij mijn testament laten maken. Tijdens de operatie hebben de artsen dwars door mijn ondergebit en kaak heengezaagd tot aan mijn oor, en de boel als een soort klapschaats open gelegd. Het was vol risico's, maar er is wonderwel niets fout gegaan. De tumor is verwijderd, en toen ik weken later weer opgelapt was, vonden de artsen me een medisch wonder. Puur omdat ik nog leefde, en al weer aan het werk ging. Van alle kanten kreeg ik steun. Ook van mensen die ik jaren niet gesproken heb.

Nu heb ik de kans al die mensen te bedanken. Want straks ga ik bevallen van een jongetje, en ik ben heel blij dat we dan een brith milah krijgen, een besnijdenis op de achtste dag na de geboorte. John wilde het vieren met een klein clubje, maar ik niet. Door die stomme kanker heb ik nooit gedacht dat ik ooit weer zwanger zou raken. Nu denk ik: feest moet je maken, de ellende komt vanzelf op je af. Dit is het moment om iets positiefs en belangrijks te vieren met al die mensen. De geboorte van mijn zoon als symbool van het leven. Met de besnijdenis treedt straks dit jongetje toe tot het jodendom. Ik kijk ernaar uit.'

Opgetekend door Santje Kramer

    • Santje Kramer