Liberianen koesteren na de oorlog nauwelijks rancune

Hongerig schuiven we aan tafel in het nieuwste restaurant van Monrovia. Uit de luidsprekers klinkt gedempte lounge-muziek die het gemurmel van de gasten overstemt. Een volgens de laatste mode geklede jongen wacht met het brengen van de kaart tot we het ons gemakkelijk hebben gemaakt op de zachte, bloedrode banken. Na een dag rondhobbelen over de slechte wegen van Liberia bekijken we opgewonden het menu: sushi in alle soorten en maten, gemaakt van vis die dezelfde ochtend nog ingevlogen is, zo beweert althans de ober die onze drankjes komt opnemen.

Binnen vijf minuten neemt het tafelgesprek een vreemde wending. Wie heeft er wel eens aap gegeten? vraagt de Franse journalist die ooit met een rebellenbeweging door de bush is getrokken. 'Ik niet', zeg ik, 'maar ik weet wel dat sommige Liberianen hondenvlees eten'. Klopt, knikt mijn Liberiaanse overbuurman Bill. 'Vooral in de beginjaren. We hadden niets meer te eten, dus iedereen at hond. Kwam je met je hond bij een checkpoint, dan zeiden de rebellen: je kunt kiezen, jij gaat eraan of je hond.'

Het was nog veel erger, zegt zijn vriend Tango, een jongen met een dikke gouden armband en het postuur van een uitsmijter. 'De rebellen aten ook mensenvlees. Heb ik met eigen ogen gezien. Net als de honden trouwens, want overal op straat lagen lijken. Het stonk zo dat ik ben gaan roken om de geur te verdrijven.' 'Hou op', zegt Bill. 'Als ik eraan denk, lust ik m'n eten straks niet meer.'

We've seen many bad things', we hebben veel slechte dingen gezien. Zo vatten veel Liberianen de burgeroorlog samen die hen veertien jaar van hun leven heeft gekost (1989-2003). Veel tijd voor terugblik hebben mijn kenissen niet, want Bill heeft zijn droom om professioneel basketballer te worden verruild voor een baan bij een hotelmagnaat en Tango werd aangenomen bij de vredesmacht van de Verenigde Naties.

Het gaat eindelijk weer een beetje goed met Liberia: op papier is het vrede, de heropbouw is begonnen, begin dit jaar trad de democratisch gekozen president Ellen Johnson-Sirleaf aan. Maar de sporen van de oorlog zijn nog lang niet uitgewist. Alleen al de hoofdstad Monrovia is zo'n monument van verwoesting dat het onmogelijk is niet steeds aan de geschiedenis herinnerd te worden.

In de dagelijkse omgang zijn Liberianen zo mogelijk het meest innemende volk van West-Afrika. Wat je je pas na een tijdje realiseert, is dat iedere Liberiaan een slachtoffer van de oorlog is: de voormalige strijders die op krukken staan te bedelen omdat artsen bij gebrek aan middelen of mededogen kogelwonden domweg met amputaties bestreden. De ontheemden die in onvoltooide betonnen skeletten een dak boven hun hoofd hebben geïmproviseerd. De dertigplussers die zich net hebben ingeschreven aan de universiteit omdat ze eerder nooit college konden volgen.

Een kleine steekproef leert bovendien dat bijna iedereen wel een familielid heeft verloren. Neem Stanley, de man die zijn kuchende Nissan Sunny aan me verhuurt. Zijn vader werd vermoord door de rebellen. Neem Tango, die zijn broer niet meer heeft gezien na een aanval op hun dorp in 1994. Bill raakte twee ooms kwijt. Bij hem in de wijk woont de man die verantwoordelijk is voor hun dood. Bill kent zijn naam. Hij praat zelfs met hem.

Hoe gaan Liberianen met hun oorlogservaringen om? Sommige strijders gaan terug naar hun dorp en vragen tijdens een speciale ceremonie vergiffenis voor hun wandaden. In oorlogstijd doe je nu eenmaal rare dingen, weten de Liberianen, die zo gewend zijn geraakt aan straffeloosheid dat ze zelden rancune lijken te koesteren. We vergeven elkaar snel, zeggen ze. Misschien wel te snel, grijnst Stanley. 'Ik denk aan de toekomst, niet aan het verleden.'

Lange tijd was er maar één psychiater in het land. Hij overleed in 2004. Toen waren het er nul. Nu is er één praktiserend psycholoog. Mensen met een psychose worden vaak bij zuster Barbara afgeleverd. Zij kwam dertig jaar geleden uit de Verenigde Staten naar Liberia en is nooit meer weggegaan, ook niet toen de kogels over haar instituut scheerden en rebellen met een pick-uptruck de toegangspoort uit zijn scharnieren beukten. 'De eerste vraag die ik stel als iemand bij mij aanklopt is: heb je geld?', zegt de goedlachse non. 'Zo ja, dan verwijs ik ze door naar de psycholoog. Zo nee, dan stuur ik ze naar het gekkenhuis. Daar kunnen ze tot rust komen.'

Zuster Barbara, een formidabele persoonlijkheid met blauwe pretogen, leidt maatschappelijk werkers op die kinderen met gedragsstoornissen begeleiden. Vroeger kregen jongeren respect voor oudere mensen met de paplepel ingegoten: die traditie is door de oorlog in de verdrukking geraakt. Ex-president Charles Taylor recruteerde duizenden kindsoldaten die zich high van de drugs overgaven aan moord, plundering en verkrachting. Elke burger was een potentieel doelwit.

Barbara heeft zelf het nodige meegemaakt. 'Wij religieuzen denken natuurlijk graag dat bidden helpt', zegt ze met een schaterlach. 'Maar de meeste Liberianen weten verbluffend goed met het verleden om te gaan. Therapie is een westerse behoefte. Ik merk bijvoorbeeld aan mijn medewerkers dat seks voor hen een belangrijke uitlaatklep is.' Niet dat zij een ervaringsdeskundige is, zegt ze met een ondeugende blik. Maar toch.

'Sommigen zetten het op een drinken, anderen knokken veel. Ook dat zijn mechanismes om het hoofd te bieden aan traumatische ervaringen. Maar weet je wat het beste is? Liberianen vertellen elkaar verhalen. Heel veel verhalen.'

    • Pauline Bax