Geen hond, zelfs niet aan de horizon

Nergens was een mens te bekennen. Dat is een van de fenomenale dingen van het leven hier: de wijdsheid en leegte. Op paardrijtochten van drie, vier uur komen we in het lichtglooiende landschap meestal niemand tegen. Geen hond, zelfs niet aan de horizon.

Na een half uur gingen we die zondagochtend zuidwaarts en kwamen bij een diep uitgesleten geul waar we maanden eerder met de jachtopzichter en de kinderen dassenburchten hadden bekeken. Twee jonge herten klommen met veel kabaal aan de overzijde van de geul tussen de acacia's omhoog. Ik verbaas me altijd weer over de lompheid van herten vergeleken bij de gratie van reeën. Dat dat familie van elkaar is.

Wij gingen rechts om de geul en volgden de akkerrand. Sommige akkers zijn immens, 200, 300 hectaren groot. De helling leidde ons omhoog. Het was een verwilderd stuk land begroeid met bruin gekleurd gras. We draafden, maar Ryeka kreeg het op de heupen, wilde in galop springen en gooide de achterbenen in de lucht. Ik had mijn aandacht bij de bosrand waar drie kraaien zaten en waar kraaien zijn, zijn vossen. Over Ryeka's oren heen vloog ik naar voren op de nog hard bevroren grond. Mijn bril brak, mijn hoofd bloedde en mijn schouder voelde niet goed.

Acht uur later, terug in Boedapest, trok een jonge arts, die toevalligerwijs verliefd was op een van Ilonka's medewerksters, mijn arm terug in de kom. Omdat ik daarbij niet verging van de pijn, vertrouwde hij het niet. Ik werd de volgende dag terugverwacht. Bij nader onderzoek bleek de kom gebroken.

In de Hongaarse ziekenhuizen is het gebruikelijk dat patiënten artsen en verplegend personeel in het handje bijbetalen. 'Dankbaarheidsgeld' wordt dat genoemd en het is misschien beter dat dat gebeurt want anders was er gezien het salaris geen arts meer in het land geweest. Toch is een systeem met overzichtelijke vaste prijzen prettiger. In een door een vriendin uitverkoren ziekenhuis werd, nadat de vliezen gebroken waren en het babyhoofdje al zichtbaar was, door het verplegend personeel in alle rust onderhandeld over de prijs van de bevalling.

Maar in 'mijn' ziekenhuis wilde niemand weten van bijbetalingen. Exact een jaar eerder was ik in hetzelfde ziekenhuis al geopereerd toen ik mijn rechterschouder had gebroken. De geneesheer-directeur van het grote ziekenhuis had daartoe zelf het mes ter hand genomen. Nadat ik die eerste keer het ziekenhuis levend verlaten had, had ik een mand met Hollandse waar (Zaanse kaas, oude jenever, Droste flikken, Venz hagelslag, stroopwafels, Calvé pindakaas, noem maar op) bij de secretaresse van de geneesheer-directeur afgeleverd. Zonder een corrupt systeem te stimuleren toonde ik mijn erkentelijkheid. En, laten we niet schijnheilig doen, ik hoopte dat hij zich mij zou herinneren als ik ooit in mijn leven nog eens een beroep op hem wilde doen.

Je veilig en geworteld voelen in een land gaat samen met het onderhouden van contacten. Een restaurant binnenstappen en bij je naam genoemd worden, op straat bekenden tegenkomen, een loodgieter kennen die komt als je waterleiding lekt, een arts kunnen bellen als je je zorgen maakt. Weken geleden had onze jongste zoon ergens onderweg tussen de boerderij en Boedapest een schoen verloren. Eergisteren kwamen we bij onze plantenhandel in Somogye en liep de eigenaresse ons even later tegemoet met de schoen in de hand. Daar word ik blij van. Dat mensen je herkennen en meedenken; het geeft een solide gevoel.

Mijn terugkeer naar het ziekenhuis had iets van een thuiskomst. De hoofdzuster, rijkelijk behangen met gouden sieraden, de oude mevrouw die met een zwabber de afdeling schoon hield, de kogelronde besnorde zuster die met een kar het niet te vreten eten rondbracht; het was alsof ik verre familieleden terugzag. Iedereen vond het een reuzegrap dat ik nu de andere schouder had gebroken. Ongeveer twee op de drie maakte de kwinkslag dat ik nu weer symmetrisch was. De eenderde die die opmerking niet maakte, gaf mij de gelegenheid die grap zelf te maken. Ik spreek bouw-Hongaars, paarden-Hongaars, winkel en horeca-Hongaars, huis, tuin en keuken-Hongaars, bekeurings-Hongaars en tegenwoordig ook ziekenhuis-Hongaars. Na de operatie kreeg ik een kamer alleen met televisie en afstandbediening; als een soort Al Capone lag ik daar. Waar Venz en Calvé al niet goed voor zijn, mijmerde ik. Twee keer per dag kwam de dikke met de kar langs met eten uit de gaarkeuken.

Er heerste een mysterieuze onzichtbare orde en systematiek in het ziekenhuis. De kunst is je over te geven aan het systeem en, geheel tegen mijn natuur in, gedwee af te wachten, dan gaat het ineens snel allemaal. Als je de ingebakken dwang van haast en efficiëntie loslaat, heeft het iets heel lekkers, meditatiefs, geen idee te hebben wanneer je aan de beurt bent, wat er verder gaat gebeuren. Die vervelende mondigheid van de patiënt, daar doen ze nog niet aan in Hongarije.

Bij ontslag uit het ziekenhuis werd ik uitgenodigd in de kamer van de geneesheer-directeur. Een hoek van zijn kamer was tot borsthoogte volgestouwd met pakjes, manden, dozen in cadeaupapier, tasjes met cadeaus, kistjes wijn; als het pakhuis van sinterklaas. Die man deugde. Hij maakte al die verpakkingen niet eens open. Het interesseerde hem geen lor. Hij was een ouderwetse chirurg zoals het hoort, geïnteresseerd in één ding: snijden. Waarschijnlijk lag in die berg ergens een Zaanse kaas weg te schimmelen.

jaap@scholten.hu