Economische groei en de hedendaagse jeugd

In reactie op Paul de Beer wijst minister Brinkhorst in zijn brief (Opinie & Debat, 15 april) op de armzalige leefomstandigheden van 1957 - wat als men destijds had besloten te stoppen met groeien? Maar dat miskent dat pas boven 17.000 euro een hoger inkomen niet leidt tot meer geluk. Dat inkomensniveau was in 1957 niet bereikt. De relevante vraag is of men over 50 jaar opgelucht is boven de `armzalige leefomstandigheden` van 2006 uitgegroeid te zijn...

Waarop baseert Brinkhorst eigenlijk dat de jeugd anders denkt over groeiende welvaart dan de oudere generaties?

De hedendaagse jeugd wil geld verdienen vooral combineren met zorgverplichtingen én de `kwaliteit van leven` overeind houden.

Natuurlijk wil zij zelf nog in inkomen stijgen. Maar het gaat erom of voor alle leeftijdsgroepen het gemiddeld inkomen moet stijgen. Is de jeugd daarop uit? Gegeven het afnemend grensnut van een hoger inkomen zou het begrijpelijk zijn wanneer zij nu andere prioriteiten legt dan in 1957.

Brinkhorst stelt ook dat elke samenleving dynamiek behoeft. Terecht. Maar wat voor samenleving is dat, die dynamiek afmeet aan het bnp, waarin outsourcing van de opvoeding, vernietiging van milieu en juridische kosten van bedrijfsruzies welvaartswinst opleveren? Als dat dynamiek is, vertegenwoordigt zij dan een waarde op zichzelf? Een goede concurrentiepositie is wél noodzakelijk, maar daarvoor is een hogere arbeidsproductiviteit nodig, niet zozeer méér productie. Anders zou Nederland alleen door zijn grotere bevolkingsomvang in het voordeel zijn tegenover België!

Zolang we prijsconcurrerend zijn op de wereldmarkt, kunnen we kiezen: voor meer werken en goederenproductie of voor vrije tijd en andere ook door dit kabinet aangemoedigde activiteiten (mantelzorg, vrijwilligerswerk, sporten). Déze keuze wordt niet gedicteerd door de markt.

Brinkhorst verzucht dat hij sympathie heeft voor De Beers betoog en in enquêtes hetzelfde invult als andere Nederlanders die een zorgzame, ontspannen samenleving willen. Waarom laat hij zich dan contre coeur tot een ander standpunt verleiden?

    • Rutger Claassen
    • Promovendus Fac. Wijsbegeerteuniversiteit Utrecht