De voetpianola

We hebben een Concertgebouworkest dat wereldberoemd is, en nog meer orkesten die bijna even beroemd zijn. In het buitenland beschouwen ze ons als een muzikaal volk. Maar de straatmuziek staat bij ons niet in hoog aanzien. Dat heeft drie oorzaken. Ondanks alle culturele revoluties van de afgelopen halve eeuw zijn verreweg de meeste Nederlanders nog altijd niet geneigd ongevraagd ergens op straat te gaan staan om muziek te maken. Ook is het in tegenspraak met wat onze overheden onder openbare orde verstaan. Als iedereen met z'n blokfluit op straat zou gaan zitten, zou het een mooie boel worden. In de jaren zestig werden in Amsterdam de gitaren van openbare protestzangers in beslag genomen. En ten slotte hebben we het draaiorgel, de nationale shock and awe die alle concurrentie verplettert.

In Nederland wordt straatmuziek die het aanhoren waard is, meestal gemaakt door buitenlanders. In het tunneltje onder het Rijksmuseum had je indertijd een Russisch trio dat goddelijk speelde. In de buurt van de Dam is een ensemble uit Latijns-Amerika werkzaam geweest. Het had een repertoire uit de tijd van de azteken. Op de hoek van het Centraal Station kon je luisteren naar twee muzikanten van de Balkan. Ook meeslepend. Al die mensen zijn van lieverlee verdwenen. Op het Rembrandtplein is nog een Engelse zanger met een zwart bolhoedje. Hij heeft talent. Verder davert het draaiorgel voort. En sinds mensenheugenis staat in de Mozes en Aäronstraat een blinde man met zijn buikdraaiorgeltje.

Dit stukje schrijf ik in New York, waar de straatmuziek in hoog aanzien staat. Meestal is het een genot ernaar te luisteren. Veel kunstenaars kiezen een station van de ondergrondse voor hun optreden. De akoestiek is goed, het publiek is groot en wisselt snel, wat goed is voor het inkomen, maar er is één nadeel: er komt telkens weer een trein langs die oorverdovend lawaai maakt. En ja, er is een duidelijk verschil met Europa. In ons deel van de wereld zouden ze dan waarschijnlijk even ophouden, eventueel met een licht vertoon van verongelijktheid of moedeloosheid. Hier spelen ze onder alle omstandigheden door. Uit respect gooi ik een munt extra in het bakje.

In Battery Park, aan het einde van Manhattan, stond jaren geleden een man die muziek maakte door met een soort trommelstokken die aan het eind met stof omwikkeld waren op een groot oestervormig voorwerp van nikkel te slaan. Het instrument zal zeker een naam hebben. Die ken ik niet, dit is mijn beschrijving. Het klonk melancholiek melodieus, waarbij het effect nog werd versterkt door de omgeving: de zee met in de verte het Vrijheidsbeeld en boven je hoofd een paar krijsende meeuwen. Die musicus is vertrokken. Maar toen ik daar een paar dagen geleden weer eens liep, dacht ik zijn klanken te horen. Niet zo mooi als vroeger; maar misschien was het een leerling. Kijken!

Deze muziek kwam uit de grond. Op de plaats van de oorsprong stonden een stuk of vijf jongens een modern soort krijgsdans uit te voeren. Jongens aan wie je meteen kon zien dat ze in het nieuwe verzet zaten. Het petje met de klep in de nek, een wijd T-shirt en een nog wijder spijkerbroek met laaghangend kruis en te lange pijpen. Het kon ook zijn dat ze uit de skateboard-wereld kwamen. Wel gevaarlijk, maar in ieder geval geen Lonsdalers. Ritmisch bewerkten ze met hun voeten een vierkant, plat stukje grond dat verdeeld was in negen gelijke vakken; roodkoperen tegels die onder de druk van hun voeten licht bewogen. Daardoor werd klingelende muziek veroorzaakt, een melodie die aan Vader Jacob, slaapt gij nog deed denken.

Vijf jongens van een jaar of vijftien die in Battery Park het Vader Jacob uit de grond dansen. Een raadsel. Hadden ze dat ingestudeerd? Stonden ze op een onderaards soort pianola te trappen? In een van de tegels ontdekte ik een naamplaatje, maar voor ik het had kunnen lezen, stond er weer een met zijn voet op. De heren waren in trance geraakt, wisten van geen ophouden, maar ik hield vol. Op dit naamplaatje staat: Alfons van Leggelo. Richter Spielgeräte. Ik had het raadsel niet opgelost, maar misschien een opening gevonden. Ik liep verder. De jongeren stampten verder wat wel degelijk het Vader Jacob was, zij het in een wat impressionistische uitvoering.

Waarom daarover een stukje geschreven? Ten eerste vind ik het een mooie uitvinding, deze ondergrondse pianola. Het instrument, of moeten we het een apparaat noemen, nodigt uit tot actie. Er komt geen hiphop of hard metal uit, maar die oude, beetje zeurderige melodie, waarop de kinderen van heel vroeger op de lagere school een canon leerden zingen. Gegeven het feit dat in 2006 vijf ultramoderne pubers er op z'n minst een half uur op blijven dansen, mogen we de heer Van Leggelo, die ik als de uitvinder van deze machine beschouw, gerust een genie noemen.

Kunnen we van een nieuw genre interactiviteit spreken? We hebben al de Nachtwacht als een beeldengroep op het Rembrandtplein. Een uitnodiging tot het interactief beleven van een meesterwerk. Vader Jacob uit de grond dansen, kun je beschouwen als het begin van muzikale interactie. Als ik me niet vergis, gaat Van Leggelo school maken. Deze vader is een goed begin. De voetpianola heeft onbegrensde mogelijkheden, zolang je er maar op kunt dansen.