De jungle die Bosnië heet

Op de naoorlogse puinhopen in Bosnië moet een land worden gebouwd. Miljoenen aan internationaal hulpgeld missen hun doel, door chaotisch en corrupt lokaal bestuur. Welke initiatieven werken wel?

Een naaiatelier in een huiskamer. (Foto’s AFP) Bosnian Serb members of the women's association "Bosnian Handicraft" in Srebrenica take sewing lessons at the organisation's headquarters office in Srebrenica, 31 May, 2004. Bosnian Serb and Muslim women, who viewed each other as enemies not long ago, have decided to put the past behind them for the sake of business, bringing hope for reconciliation in this war-torn country. The organisation hires women of all ethnicities to craft various garments that have already attracted buyers abroad. AFP PHOTO ELVIS BARUKCIC AFP

Voor de verandering vallen er in de projectomschrijving geen woorden als 'kloof' en 'overbruggen'. Eveneens ontbreekt de mantra 'moeizaam proces van verzoening'. Ook het onderdeel 'traumaverwerking middels muziektherapie' komt in het gehele plan niet voor. Want van 'gezwollen welzijnsretoriek' heeft Edin Mehic, een jonge ondernemer in Bosnië, inmiddels zijn bekomst. Om zijn land, waar elf jaar na de oorlog nog altijd economische chaos heerst, vooruit te helpen lanceerde hij een heel ander project: vacaturekrant Posao, Bosnisch voor 'Werk'.

In het restaurant van een grote bierbrouwerij in de Bosnische hoofdstad Sarajevo schetst Mehic zijn toekomst als mediaondernemer. 'Dagbladen in Bosnië berichten slechts over corrupte politici, schandalen en domme televisiesterretjes. Het is mijn ambitie om met die traditie te breken. We willen met onze krant over nieuwe economie berichten en service verlenen aan de lezer. Voorbeeld: de meerderheid van jongeren in dit land weet niet hoe je een cv moet schrijven. Dat gaan wij in Posao uitleggen.'

Om zijn plan te verwezenlijken zocht Mehic steun bij de Nederlander Marc de Klerk, die al jaren in Bosnië woont en werkt. Beiden, begin dertigers, herkenden in elkaar hetzelfde ongeduld.

De Klerk: 'Ik ken geen Bosniër met méér energie dan Edin.'

Mehic: 'Vrede en stabiliteit bereik je alleen maar door een economie op te bouwen', luidt het credo van Marc. Dat spreekt mij in hem aan. Om van Bosnië iets te maken moeten we het verleden begraven. De ideale vacaturetekst in onze krant moet luiden: 'Gezocht: lefgozer, liefst zónder oorlogstrauma'.'

In West-Europa wordt het beeld dat van Bosnië bestaat grotendeels gevormd door weinig hoopgevende ontwikkelingen op politiek niveau. Van verzoening tussen de destijds strijdende partijen - moslims (Bosniakken), Kroaten en Serviërs - is nog geen sprake, en de alom aanwezige internationale gemeenschap krijgt moeilijk vat op de situatie.

Op economisch terrein werd enige vooruitgang geboekt. Zo is de banksector snel geprivatiseerd, maar dat biedt vooralsnog slechts kansen voor westerse banken die zich in Bosnië vestigen. En de oude, wegroestende staalfabriek van Zenica werd overgenomen door de Indiase gigant Mittal Steel. Die verhoogde weliswaar de staalproductie, maar van de 14.000 arbeidsplaatsen in 1990 zijn er nu nog maar 3.000 over.

Om de hoge werkloosheid (35 procent van de beroepsbevolking) te bestrijden moet er één economische ruimte worden gecreëerd waarin midden- en kleinbedrijf en jonge, startende ondernemers zich kunnen manifesteren.

Maar juist onder hen is het pessimisme en de apathie groot. En begrijpelijk, zegt Kevin Sullivan van de Verenigde Naties op het hoofdkantoor in Sarajevo. 'De helft van de mensen leeft hier op of onder de armoedegrens', zegt hij. 'Het herstel gaat in hun ogen nooit snel genoeg.'

Elf jaar geleden kwam er een einde aan de oorlog in Bosnië, die tussen 1992 en 1995 aan een kwart miljoen mensen het leven kostte. Het drama in de Oost-Bosnische stad Srebrenica kostte aan ruim 8.000 moslimmannen het leven, en bij het vier jaar durende beleg van Sarajevo vonden 10.000 inwoners de dood. Door honger, uitputting en de kogels van Servische sluipschutters die van de hoofdstraat sniper alley maakten.

Nu rijden over de hoofdstraat jeeps van de Verenigde Naties, de OVSE (Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa) en de EU-politiemacht af en aan. Werknemers van de Wereldbank en de Oost-Europabank EBRD bevolken de restaurants van Sarajevo.

Langs de Bosnische wegen staan overwegend kapotte fabrieken. Een enkele houtzagerij functioneert - de houtindustrie is in nog altijd van groot belang in de ex-Joegoslavische republiek, die voor de helft met bossen bedekt is.

De enige in het oog springende nieuwe bedrijvigheid vormen de motels en benzinestations, de speeltjes van de maffiafamilies. Om de paar kilometer verschijnt een nieuwe pomp. Getankt wordt er amper, de benzinestations zijn er om geld wit te wassen.

'Bosnië is een jungle waarover niemand heerst', zegt Nerma Jelacic, hoofdredactrice van het kritische journalistennetwerk Balkan Investigative Reporting Network.

Bij het in 1995 getekende Dayton-vredesakkoord werd het land opgedeeld in de federatie van Kroaten en Bosniakken en de Servische Republiek. Op landelijk niveau regeert een driekoppig presidium, waarin de drie nationaliteiten - Bosniakken, Kroaten en Serviërs - zijn vertegenwoordigd.

Het bureau van de Hoge Vertegenwoordiger namens de Verenigde Naties ziet toe op de uitvoering van de Dayton-vredesakkoorden; het mandaat van de VN strekt ver genoeg om ministers die obstructie plegen de laan uit te sturen. De nieuwe VN-bestuurder Christian Schwarz-Schilling, begin dit jaar aangesteld, wacht een moeilijke klus: samen met de Bosniërs moet hij van het schizofrene land één multi-etnische staat met één grondwet maken.

In de eerste vijf jaar na de oorlog, van 1995 tot 2000, investeerde de internationale gemeenschap ruim 5 miljard dollar in de wederopbouw van de vernielde infrastructuur in Bosnië. Maar dat geld is geïnvesteerd in een gespleten land, zegt de Bosnische econoom Fikret Causevic, hoogleraar aan het Economisch Instituut in Sarajevo. 'Het geld is opgesoupeerd door drie economische elites, de moslim-, Kroatische en Servische elite, met ieder hun eigen economische belangen. Daarnaast kampen we nog met de reflexen van een oude partij-elite. Want Bosnië is niet alleen een naoorlogs land, maar ook een land in een pijnlijke overgang van joego-socialisme naar kapitalisme.'

De laatste jaren ligt de nadruk van de internationale gemeenschap meer op nation building. 'Maar daar hadden we éérst mee moeten beginnen', zegt Causevic. 'Nu hebben we twee effectenbeurzen, één in de federatie en één in de Servische Republiek, en allebei stellen ze niks voor.'

Miljoenen aan internationaal hulpgeld missen hun doel, door chaotisch en corrupt lokaal bestuur, zeggen Causevic en andere analisten in Sarajevo. Maar welke initiatieven werken wel?

'Wil je hier als beginnende ondernemer iets bereiken, dan moet je iets opzetten in de informatietechnologie', zegt ondernemer Thierry Joubert. 'Daar hebben de 50-plussers die hier de politieke en economische macht uitoefenen geen verstand van, dus daar blijven ze met hun handen vanaf.'

Na jaren van vrijwilligerswerk in Bosnië begon de Nederlander Joubert samen met Bosnische en Amerikaanse ondernemers het bedrijf Green Visions, een bureau voor ecotoerisme en milieuadviezen. 'Ons optimisme werd weggehoond door gezanten van de internationale gemeenschap', zegt Joubert. 'Die zien alleen maar beren op de weg.'

Ecotoerisme ligt niet bepaald voor de hand in een land dat nog bezaaid is met mijnen, geeft Joubert toe. 'Je moet weten waar tijdens de oorlog de frontlinies lagen. Als je weet waar het veilig is, dan geniet je van een grotendeels onherbergzaam, bergachtig binnenland. In leeggelopen dorpen onderzoeken we bed & breakfast-mogelijkheden.'

Hij ziet veel jonge ondernemers in Bosnië mislukken, omdat ze stuiten op een muur van lokale politici die de markt controleren. Zelf deed hij ook een poging om iets op te zetten in de klassieke toerismebranche. 'Het leven werd mij meteen onmogelijk gemaakt, vergunningen werden niet afgegeven, ons bedrijf lag drie maanden stil. Je moet er dus voor zorgen dat je iets opzet búíten de cirkels van politieke vriendjes, dan ben je veilig.'

In het naoorlogse Sarajevo, waar nu de moslimgemeenschap dominant is, vestigen zich in toenemende mate Arabische investeerders. En ook Turkse en Oostenrijkse bedrijven weten gemakkelijk de weg in Bosnië, dat in het verleden zowel onder Ottomaanse als Habsburgse heerschappij stond. De buitenlandse bedrijven zijn merendeels gevestigd in Unitic, het grootste zakencentrum van Sarajevo. Het gebouw werd tijdens de oorlog kapotgeschoten, waarna een investeringsagentschap van de Koeweitse regering zich ontfermde over de restauratie.

Unitic is vergeven van de bankfilialen. De privatisering van de Bosnische bankensector, meteen na de oorlog, resulteerde in een wildgroei aan bankjes waarvan er nu nog altijd 33 over zijn - een oververtegenwoordiging, op een bevolking van slechts 4,2 miljoen waarvan hooguit 1 miljoen werkt.

80 procent van de banken is in buitenlandse, vooral Oostenrijkse, handen. Leaseproducten en hypotheken zijn nog slechts weggelegd voor een kleine groep yuppen die een baan vonden bij een Bosnische vestiging van een internationaal bedrijf. 'De banken zijn hier vooral neergestreken omdat de regio potentie heeft', zegt ondernemer Joubert. 'Maar voor mij als kleine ondernemer is zo'n banklening geen optie, de rentes zijn enorm hoog.'

Een bezoek aan een Oostenrijkse bank draaide voor de Bosnische Samira Tufekcic (23) op niets uit. Tijdens de oorlog vluchtte ze uit de regio rond Srebrenica naar Sarajevo. Nu, inmiddels volwassen, probeert ze er een bestaan op te bouwen. Op de markt aan de rand van de stad staat ze voor haar kraam met accessoires voor mobiele telefoons. Bij de aanvang van haar bedrijfje wendde ze zich tot Sunrise, een aan de Wereldbank gelieerde microkredietorganisatie, en kreeg 4.000 Bosnische mark (bijna 2.000 euro). 'Bij de gewone banken zei men: kom vooral langs als je een huis gaat kopen', zegt Tufekcic. 'Maar mijn bedrijfje vonden ze te risicovol.'

Edin Mehic overkwam hetzelfde, toen hij als ondernemer begon. 'De banken verwachten een mogelijke expansie van de Bosnische economie, maar daarin speel ik volgens hen kennelijk geen rol.'

Mehic had gelukkig wat spaargeld over, na twee jaar werken voor een Deense hulporganisatie. Daarmee begon hij de vacaturewebsite Posao, dat hij wegens succes nu met Nederlander Marc de Klerk heeft uitgebouwd tot de tweewekelijkse vacaturekrant Posao.

'Posao moet in Bosnië dezelfde functie krijgen als de opiniërende vacaturekrant Intermediair in Nederland', zegt De Klerk. Met hulp van de Nederlandse ambassade in Sarajevo kregen de ondernemers 25.000 euro uit een ministerieel potje in Den Haag. Daarmee bekostigden ze de 'opstart' van Posao waarvan op 1 mei aanstaande het eerste nummer verschijnt.

Posao moet het voorlopig hebben van advertenties van internationale bedrijven die op zoek zijn naar jong talent. De Klerk: 'Een krappe markt. De werkloosheid is nog hoog. We moeten een lange adem hebben en meewerken aan een cultuuromslag in dit land.'

De eerste reacties op Posao waren cynisch. 'Wat moet je met een vacaturekrant in een land zonder vacatures?' klonk het in de expatcafés in Sarajevo.

'Het verbaast me niets', zegt De Klerk. 'Die jongens van de internationale gemeenschap organiseren nu al elf jaar lang seminars over capacity building, zonder veel resultaat. Daar zou ik ook moedeloos van worden. Bosniërs zijn de beloftes beu, men is seminar-moe.'

    • Tijn Sadée