Zachtmoedig als gewapend beton

De jury van de VSB-poëzieprijs, die volgende week wordt uitgereikt, heeft de beste bundels van het afgelopen jaar straal genegeerd. In plaats daarvan is poëzie genomineerd die lijkt op wat er al bestaat.

Roland Jooris Foto Querido Querido

Er zijn schrijvers die een diepe minachting koesteren voor literaire prijzen. Meestal zijn dat schrijvers die geen literaire prijs krijgen. Zij laken de willekeur van incompetente en corrupte jury's, die onderling bedisselen wiens vriendje in welk jaar bekroond mag worden, het competetieve element, dat a priori amuzisch is en niets te maken heeft met de kern van de literaire kunst, de commerciële uitbuiting door middel van een systeem van nominaties en de inspecteur der directe belastingen, die het prijzengeld sowieso zal opeisen. Toch is er geen schrijver die er niet stiekem van droomt om bekroond te worden. Het valt namelijk niet te ontkennen dat er van de grote literaire prijzen invloed uitgaat. Er zijn schrijvers wier leven erdoor is veranderd. En zelfs als dat niet zo is, is dat toch zo. Dit alles is reden te meer om te hopen dat jury's met uiterste zorgvuldigheid en deskundigheid tot hun oordeel komen.

De grootste prijs die een dichter kan winnen is de VSB Poëzieprijs, een bekroning van de beste dichtbundel van het afgelopen jaar. Op vrijdag 28 april wordt hij voor de dertiende keer uitgereikt. Een prijs dankt zijn status en belang aan de statuur van eerdere laureaten, de hoogte van het prijzengeld en de media-aandacht, die samenhangt met de hoogte van het prijzengeld. Dit is bij de VSB Poëzieprijs allemaal dik in orde. De winnaar mag zijn naam schrijven tussen grote namen als Hugo Claus, Leo Vroman, Gerrit Kouwenaar, Rutger Kopland en Tonnus Oosterhoff. Het prijzengeld bedraagt 25.000 euro. En al heeft RTL Boulevard de prijs nog niet ontdekt, genomineerden en laureaat mogen zich verheugen in hartverwarmende aandacht van verschillende media. Een prijs kan zijn belang en reputatie echter ook verliezen en dat is wanneer hij door foute beslissingen van de jury aan geloofwaardigheid inboet. Het valt te vrezen dat dit precies is wat er gebeurt bij deze dertiende editie.

Bestaat er zoiets als objectiviteit in de beoordeling van de literaire kwaliteit van poëzie? Te snel zijn mensen bereid deze vraag te beantwoorden met een vanzelfsprekend nee. Poëzie is kunst en wat goed of slecht is in kunst, is een kwestie van smaak. Dit klinkt logisch, maar dat is het niet. Het mag misschien een kwestie van smaak zijn of je als individuele lezer liever deze dichter leest dan die, evenals sommige mensen nu eenmaal van André Hazes houden of van frambozenbier, maar professionele lezers als critici en juryleden moeten in staat zijn te abstraheren van dit soort persoonlijke voorkeuren. Het is namelijk wel degelijk mogelijk en zelfs noodzakelijk om met een zekere mate van objectiviteit vast te stellen welke poëzie van belang is en welke poëzie een irrelevante echo is van wat al is geweest.

In 2005 verscheen de bundel Roeshoofd hemelt van Joost Zwagerman. Dit is, objectief gezien, een van de belangwekkendste bundels van de afgelopen jaren, al was het maar wegens de hoge inzet van de dichter. Het is in alle opzichten een avontuurlijke en een risicovolle bundel. Zwagerman vermengt twee stemmen, elk met een eigen poëtisch idioom, in een narratief gedicht dat in vliegende vaart naar een verrassende ontknoping voert. De ontknoping is dat het gedicht zich op een geraffineerde manier in de eigen staart bijt, waardoor de twee verschillende stemmen hun identiteit verwisselen. Hiermee heft het gedicht zichzelf op en vormt het een treffende demonstratie van de crisis in identiteit en authenticiteit die deze tijden kenmerkt. Het gedicht als geheel probeert de waanzin en wanhoop van onze postmoderne consumptiemaatschappij van binnenuit voelbaar te maken. Het is wild, overvloedig en spannend. Bovendien bevat het memorabele taalexplosies als:

Iets welgeteld utopisch hield hem van binnen vast alsof hij andermanspolsstok en meteen daarop boog hij verstommelend door. Voelde

hete adem van complete megastore het schortjes- en insigne-imperium

alsof buiten tramlijn zoveel als ritssluiting

zijn binnenhelft in zipte; gehelmde dienstigtypes die hem

beslopen, bedieselden, beglansden, beknoopbloemden -

hem kaaks en kundig vingen en daar hielden,

in dit borgesfiliaal onder balalaika's doorgeglobaliseerde allesspansel.

Je kunt misschien zeggen dat je hier niet van houdt. Maar je kunt onmogelijk zeggen dat Roeshoofd hemelt van Joost Zwagerman geen belangrijke bundel is.

In 2005 verscheen ook de bundel Underperformer van Erik Jan Harmens. Ook deze bundel is, objectief gezien, belangwekkend en goed. Harmens schrijft scherpe, compromisloze poëzie, ontroerende gedichten die zachtmoedig zijn als gewapend beton, verzen die strelen als glasscherven. Hij is wars van elk goedkoop effectbejag en zet zichzelf in elk gedicht opnieuw op het spel. Hij is precies. Hij vertegenwoordigt een nieuwe en geheel eigen stem in de Nederlandse poëzie:

je bek ging van dittum en dattum

terwijl je feitelijk geen panharing te melden had

dit is mijn credo edo

als ik paaldans vergeet ik alles

behalve de paal en mijn passen

een zakjapanner en de e op het display

ik dit niet uitrekenen gaan

dat de maan er is verder los van die maan

en hij ernaar wijst als een kok zijn klanten op de kaartals een uitsmijter zijn poffers op de klok

uitgeteld en blootgewoeld

de wereld is licht en hoempa

marktkooplui willen me niet achter hun kraam

en vice versa

Misschien zou je kunnen zeggen dat dit je persoonlijke smaak niet is. Maar je kunt onmogelijk beweren dat Underperformer van Erik Jan Harmens geen goede bundel is.

In 2005 verscheen tevens de bundel Drievuldig feilloos vals van Piet Gerbrandy. Ook dit is, objectief gezien, een goede en belangrijke bundel. Gerbrandy schrijft doorwrochte en gewrochte gedichten, hecht doortimmerd en zintuiglijk. Hij gaat in deze bundel een dialoog aan met de wereldliteratuur in gevaarlijke gedichten vol strikken en valkuilen. Zijn poëzie speelt zich af in het strijdgewoel tussen intellect en onderbuik. Ook hij is precies, eigen en vernieuwend:

Sleepvoet wil je me schoeien?

Loeibek herkauw je mijn kaf?

Boekmaag verteer je mijn gras?

Hangzak zul je me drenken?

Gierput vul je mijn dalen?

Schenkel zoen je de goden?

Mergpijp mest je mijn magen?

Lijmbeen hecht je mijn bladen?

Kromhoorn gil je te wapen?

Slingeraar schoor je mijn pas?

Wellicht is het je smaak niet. Maar je kunt onmogelijk beweren dat Drievuldig feilloos vals van Piet Gerbrandy geen belangwekkende bundel is.

Wat deze drie bundels gemeen hebben, is hun hoge inzet. Deze drie dichters zijn niet tevreden met het nadoen van poëzie die al bestaat. Zij zoeken het avontuur van de vernieuwing en gaan over onbetreden paden. Dat is op zijn minst interessant en belangrijk. Omdat zij slagen in hun missie, zijn de bundels goed. En dit is geen kwestie van smaak, maar een objectief gegeven. Ook andere bundels die in 2005 zijn verschenen kunnen in dit verband genoemd worden, bundels die op zijn minst interessant zijn, zoals Zacht gat in broekzak van Elma van Haren, Deze rouwmoedige schoonheid van Lucas Hüsgen, zeer zeker ook Spuit je ralkleur van Astrid Lampe, en het spannende debuut Prijken die buik van Peggy Verzett. Een jury die erin slaagt om geen van al deze bundels te nomineren, diskwalificeert zichzelf. En dat is precies wat er is gebeurd. Dit is des te opmerkelijker omdat de goede, belangrijke en avontuurlijke dichters Maria Barnas, Rob Schouten en Henk van der Waal deel uitmaken van deze jury, die wordt gecompleteerd door Lut Missinne en Christi Klinkert. Wat is dan in hemelsnaam wel genomineerd?

hier libellen blauw en teer

gevallen in uw tuinen;

kom ze halen en verplegen,

leg ze in de milde

wonde van het gras:

zo worden zij gevonden.

En dit:

Een huis is een hol in de ruimte.

Een deur is een vriendelijk gat

waar ik door kan naar later, naar iemand.

En dit:

Poëzie

is wording die

blijft steken in de

rauwe, gebarsten

onhandige gaafheid

van het ongenoemde.

En dit, godbetere:

Terwijl de wolken

veranderen in andere wolken

drijven de wolken voorbij.

Het eerste fragment is uit het gedicht “Heren, heren' uit de bundel Kleine lichamen van Peter Ghyssaert, het tweede komt uit het gedicht “Een brug is een deur in de weg' uit de bundel Alles is nieuw van Esther Jansma, het derde is het begin van het openingsgedicht van Als het dicht klapt van Roland Jooris, het vierde is het volledige gedicht “Lucht' uit de bundel Ballade van de winstwaarschuwing van Martin Reints. Maar je kunt dat er net zo goed niet bij zeggen. Wat doet het ertoe waar het uitkomt? Het is allemaal inwisselbaar, voorspelbaar, clichématig, schon dagewesen en volledig irrelevant.

De nominatie van deze vier bundels is niets minder dan een provocatie. Het is een eenzijdige keuze tegen het experiment, de vernieuwing, het risico en het avontuur en vóór traditiegetrouwheid, verstilling en lafheid. Peter Ghyssaert is dan relatief nog de interessantste van de vier. Af en toe schrijft hij per ongeluk wel eens een goede regel, zoals - nou ja, laat maar, ik kan het zo gauw niet vinden. Maar verder is het allemaal mededeelzame poëzie, helaas ook licht melancholisch, niet slecht gedaan, maar al duizenden keren precies zo gedaan. Esther Jansma schrijft oude vertrouwde Esther Jansmapoëzie, vol opgroeiend kroost. De titel is een leugen. Het beste gedicht in de bundel is “De omwentelaar': “poëzie moet van dattum op straffe van slaag'. Precies. Had dat maar vaker beseft. Roland Jooris maakt van die dunne, kale gedichten, met vaak maar één woord per regel, die het volledig moeten hebben van de illusie van diepgang. Je kunt de volledige bundel in tien minuten voorlezen. Met Martin Reints ben je nog sneller klaar.

De enige bundel die terecht is genomineerd, is De encyclopedie van de grote woorden van Mark Boog. De bundel is wat de titel belooft. In alfabetische volgorde passeert een zestigtal grote woorden de revue, zoals angst, dood, eenzaamheid, geluk, haat, pijn, schoonheid, verlangen en wanhoop. Elk groot woord wordt geduid, becommentarieerd, beschreven, bevestigd of ontkracht in een gedicht. Deze procedure is op zich al een spannende exercitie, omdat poëzie niet van nature onmiddellijk wordt geassocieerd met encyclopedische acribie en omdat het gebruik van grote woorden in de moderne poëzie over het algemeen juist bij voorkeur wordt vermeden. Het levert prachtige gedichten op, zoals deze, over “Liefde':

De lucht ligt als een blok op het land,

onzichtbaar en massief.

Je gaat gekleed in de kleur van je haar,

in je ogen, je passen en je woorden.

Je bent hier en elders. Ik draag je me na

en huiver. Je bent te groot misschien,

of te dichtbij. Je onbereikbaarheid

is onvergeeflijk. Kon ik een vogel zijn -

maar de nauwkeurigheid ontbreekt me

zoals het vertrouwen. Ik kijk naar je

en huiver. Spreek me aan, want ik zwijg,

verdraag mijn wurggreep, verdraag

de onbeholpenheid, verdraag mij, liefde.

Het knappe van dit gedicht is dat het balanceert op de rand van het cliché en niet valt. Dat maakt deze vorm van dichten gevaarlijk en avontuurlijk. Boog mengt net genoeg beelden door zijn abstracta om niet te vervallen in de betekenisloosheid van de grote woorden die hij opnieuw van betekenis wil voorzien. Zijn herhalingen zijn op het randje van kitsch, maar dat is de liefde zelf ook. En het werkt. Het is een volledig overtuigend, ontroerend, goed gedicht.

Traditiegetrouw wordt van de recensent verwacht dat hij een voorspelling doet wie de prijs zal gaan winnen. Om redenen die duidelijk zullen zijn, zal ik daar voor deze keer vanaf zien. Wanneer de VSB Poëzieprijs volhardt in zijn zo goed als eenzijdige keuze voor laffe poëzie en zijn volledig negeren van experiment, vernieuwing en avontuur, dan zou ik mij zelfs niet durven wagen aan de voorspelling of hij zijn veertiende editie zal halen, noch aan de beantwoording van de vraag of dat wenselijk zou zijn.

Mark Boog: De encyclopedie van de grote woorden. Cossee, 70 blz. 16,90

Peter Ghyssaert: Kleine lichamen. Querido, 63 blz. 18,95

Esther Jansma: Alles is nieuw. De Arbeiderspers, 56 blz. 14,95

Roland Jooris: Als het dichtklapt. Querido, 48 blz. 15,95

Martin Reints: Ballade van de winstwaarschuwing. De Bezige Bij, 35 blz. 16,50

Voor meer informatie over de VSB Poëzieprijs, het juryrapport en een lijst van eerdere laureaten, zie www.vsbpoezieprijs.nl. Een volledig overzicht van alle poëziebundels die in 2005 zijn verschenen is te vinden op: http://decontrabas.typepad.com/publieksprijsbundel2005