Voor God en olie

Een Amerikaans politiek strateeg die de opkomst van religieus rechts in de Verenigde Staten voorspelde, heeft inmiddels gelijk gekregen. Maar dat stemt hem allerminst tevreden, blijkt uit een onverwachte bestseller.

Elk City, Okla Foto Kevin Tew / AP A rainbow is seen over an oil and gas well Monday, March 20, 2006, near Elk City, Okla. (AP Photo/Elk City Daily News, Kevin Tew) ** NO SALES ** Associated Press

Ruim dertig jaar geleden, in 1975, maakte de politieke strateeg Kevin Phillips melding van een nieuwe beweging in de Amerikaanse politiek. Nieuw Rechts, schreef hij, werd gevormd door politieke rebellen, afkomstig “van de verkeerde kant van de spoorbaan' (maar nadrukkelijk geen Afrikaans-Amerikanen), waar door de traditionele Republikeinse partijelite van Oostkustbankiers, dorpsnotabelen en ondernemers op werd neergekeken. De kern van Nieuw Rechts werd gevormd door jonge blanke mannen die nieuwe thema's aansneden als abortus (tegen), wapenbezit (voor) en belastingen (tegen).

De term Nieuw Rechts was geen lang leven beschoren. Hij wordt voornamelijk nog gebruikt in overzichtswerken over de opkomst van de conservatieve beweging in Amerika. Phillips maakt er evenmin melding van in zijn nieuwe boek, American Theocracy. Maar de denkbeelden die destijds opkwamen in de Republikeinse partij, schrijft hij, kunnen nog steeds op zijn instemming rekenen. “Secular liberals' hadden in het decennium ervoor het belang van religie in de Verenigde Staten onderschat, en daarmee een krachtige impuls gegeven aan de politieke bewustwording van religieus rechts.

Deze religieuze tegenbeweging werd destijds door vrijwel iedereen genegeerd, onderschat of zelfs geridiculiseerd, maar niet door Phillips. Eind jaren zestig schreef hij als midden twintiger een profetisch boek, The Emerging Republican Majority, waarin hij een voorschot nam op de 'Southern Strategy': het weglokken van het Democratisch electoraat naar de Republikeinse partij in de zuidelijke deelstaten van Amerika. Verkiezingen zouden in de nabije toekomst volgens Phillips worden beslist in de zogeheten Sun Belt - ook al een term waar hij als eerste mee voor de dag kwam - en niet in het vakbondsgerichte, seculiere gebied rond de Grote Meren en New England. Deze zuidelijke kiezers stemden traditioneel op de Democratische partij, maar daar voelden ze zich door de maatschappelijke ontwikkelingen niet meer thuis. Ze waren op zoek naar een nieuw onderdak, naar een partij die stabiliteit, veiligheid en traditioneel Amerikaanse waarden (vlag, gezin en God) hoog in het vaandel had staan. Naar de nieuwe Republikeinse partij, bleek later, zoals die zich begin jaren tachtig onder president Ronald Reagan en met de nadrukkelijke steun van Nieuw Rechts aandiende.

Vuurspuwende aanklacht

De transformatie van het Zuiden in een bastion van de Republikeinen is een van de opmerkelijkste ontwikkelingen sinds de Tweede Wereldoorlog. De voorspellingen van Phillips zijn dus uitgekomen, maar wie denkt dat hij tevreden terugblikt heeft het bij het verkeerde eind. Integendeel: American Theocracy, zijn dertiende boek, is een vuurspuwende aanklacht tegen de partij die hij al lang heeft verlaten en die zich onder George Bush volgens hem profileert als de eerste religieuze partij in de Amerikaanse geschiedenis.

Opmerkelijk genoeg trekt Phillips in American Theocracy het boetekleed aan. Het fanatisme en de invloed van de religieuze fundamentalisten in de partij hebben hem verrast. De Sun Belt is uiteengevallen in drie regio's: de Bible Belt in het oosten, de Oil Belt in het midden, en de Sun Belt in het westen (plus Florida). De eerste twee regio's vormen het machtscentrum van de Republikeinse partij in de 21ste eeuw. Fundamentalisten en oliebaronnen zijn een verbond aangegaan, dat weliswaar niet van frictie is ontbloot maar electoraal succesvol is gebleken. Dat wil zeggen: de oliebaronnen bepalen de economische en de buitenlandse politiek, de fundamentalisten zijn verantwoordelijk voor het binnenlands beleid. De behoudende en politiek actieve kerk van de Southern Baptists heeft haar invloed vanuit haar uitvalsbasis in het Zuid-Oosten van Amerika inmiddels over een groot deel van het land verspreid, minus enkele deelstaten (Utah, waar de mormonen de dienst uitmaken, en Wisconsin, Minnesota, Iowa, Nebraska en de beide Dakota's, met een krachtig conservatief Luthers element) waar ook Republikeins wordt gestemd. In de presidentsverkiezingen van 2004 zetten de Southern Baptists zich in voor de Republikeinse partij, zoals de vakbonden dat traditioneel doen voor de Democraten, daarbij de scheiding tussen kerk en staat aan hun laars lappend. Alleen de beide kuststroken en het oud industriële hart rond de Grote Rivieren stemmen Democratisch, volgens Phillips niet toevallig staten met grote aantallen katholieken, joden en seculiere kiezers.

American Theocracy valt in drie delen uiteen. In het eerste behandelt Phillips de rol die olie speelt in de buitenlandse politiek, een thema dat hij overigens ook al aansneed in zijn vorige boek, American Dynasty (2004), over de familie-Bush. De Verenigde Staten hebben zich volgens hem sinds de eerste oliecrisis in het begin van de jaren zeventig ontwikkeld tot een “petro-imperialistische' macht, met als belangrijkste aspect de “transformatie van het leger in een wereldwijd olieprotectoraat'. Irak werd niet binnengevallen om serieus werk te maken met de vestiging en verspreiding van democratie in het Midden-Oosten of met de ontmanteling van massavernietigingswapens, maar wegens de bescherming en de exploitatie van olievelden. Amerika is volgens hem verslaafd aan olie - een conclusie die inmiddels ook is getrokken door de president - en, op een korte periode onder de onfortuinlijke president Carter na, niet in staat of bereid om serieus na te denken over de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen.

In het tweede deel - het hart van het boek, met de treffende titel “Te veel predikanten' - behandelt hij de opkomst van fundamentalistische christenen. Hij toont overtuigend aan dat godsdienstbeleving van de Southern Baptists goed aansloot op de ieder-voor- zich mentaliteit van de moderne Republikeinse partij. Southern Baptists leggen de nadruk op het eigen zielenheil en dus op de persoonlijke relatie met Christus, in plaats van op de bestrijding van onrecht of de hervorming van de maatschappij. Evenals de voormalige Britse premier Margaret Thatcher, maar op andere gronden, ontkennen zij het bestaan van “zoiets als de samenleving'; ieder mens moet het zelf zien te rooien. Lukt hem of haar dat niet, dan rest de troost van de Bijbel en de inspiratie van Jezus. Dat verklaart ook de grote populariteit van president Bush onder deze gelovigen. Ook hij worstelde immers met zijn leven en met de drank, tot hij het licht zag: “Goodbye Jack Daniels, hello Jesus'. Dat hij het sindsdien tot president heeft geschopt, een president die claimt dat God zich regelmatig via hem tot de natie richt, dient hun tot voorbeeld en inspiratie.

In de buitenlandse politiek richten de Southern Baptists hun aandacht en energie op het Einde der Tijden, dat in hun ogen nabij is en tot een dramatische ontknoping zal komen in het Midden Oosten. Alleen al daarom zullen zij zich volgens Phillips niet snel keren tegen de inval in Irak, zo lang de president deze blijft presenteren als onderdeel van de strijd tegen het kwaad of het islamitisch terrorisme, wat op hetzelfde neerkomt.

In het derde deel gaat Phillips in op de groeiende schuldenlast van de regering in Washington én de bevolking. De typisch Amerikaanse consumptiedrift zou volgens Phillips beter kunnen worden omgedoopt in de nationale “schuldcultuur', die voorlopig (maar hoe lang nog?) vooral wordt gefinancierd door enkele Aziatische landen. Het onvermogen of de onwil om de financiële toekomst te plannen beschouwt hij als even tekenend voor de nationale mentaliteit als de onmacht om een nieuw energiebeleid te ontwikkelen. Wall Street, de oliebaronnen en de autoindustrie varen er wel bij, het religieuze electoraat dat zich voorbereidt op Armaggedon heeft er geen behoefte aan.

Einde der Tijden

Zo zijn de drie delen van American Theocracy verbonden met het thema van het verval. Phillips laat zich kennen als een doemdenker; hij is ervan overtuigd dat de Verenigde Staten over hun hoogtepunt heen zijn, een onderwerp dat hij overigens óók al eerder behandelde, in Wealth and Democracy (2002). Schuldenlast, militaire overbelasting en godsdienstwaanzin, met als belangrijkste karaktertrek de hunkering naar het Einde der Tijden, wijzen volgens hem op de naderende ondergang van het Amerikaanse imperium. Anders dan de titel suggereert, ontkent Phillips dat de VS zich onder invloed van de fundamentalisten hebben ontwikkeld tot een theocratie. Daarvoor is het land te groot, en de invloed van de seculiere bevolking nog steeds te sterk, vooral op het gebied van de kunsten en de media. Maar Amerika heeft onder Bush wél theocratische trekjes, meent Phillips. Deze komen bijvoorbeeld tot uiting in het verzet tegen medisch onderzoek. Zowel bij stamcel- als bij kankerresearch heeft deze regering zich laten leiden door de opvattingen (of is het de electorale macht?) van religieus rechts. De morning-afterpil is niet verkrijgbaar, omdat de regering seksuele onthouding tot dogma heeft verheven. Verontrustend is ook dat wetenschappers bij sollicitatie naar een overheidsbaan wordt gevraagd naar hun stemgedrag. Geen wonder dat Phillips in het op een na laatste hoofdstuk spreekt van een “emerging Republican theocracy', hoewel hij er hoopvol aan toevoegt dat het de vraag is of een nieuwe regering, na Bush, het huidige beleid zal voortzetten.

American Theocracy is vooral waardevol omdat Phillips de aard en de wortels van het Amerikaanse fundamentalisme heeft onderzocht. Net als president Carter, in diens recente bestseller Our Endangered Values, legt hij de bron van de moderne Southern Baptists bij “de coup' die in 1979 door een groep conservatieve Texanen werd gepleegd. Deze namen het kerkbestuur over en zijn er de afgelopen kwart eeuw vervolgens in geslaagd gematigde Baptisten van zich te vervreemden (Carter heeft de kerk inmiddels de rug toegekeerd). In politiek opzicht was volgens Phillips het presidentschap van Bush senior een waterscheiding. Hij zag zich genoodzaakt de banden met behoudende christenen aan te halen, omdat hij als gematigde Republikein die zich aanvankelijk vóór het recht op abortus had uitgesproken hun stem dreigde te verliezen. Zijn wedergeboren zoon George junior werd door hem als liaison aangesteld tussen het Witte Huis en de godsdienstige basis. Dat was, onbedoeld, een meesterzet: de Baptisten bleven binnenboord en Bush junior ontdekte bij zichzelf onvermoede politieke talenten.

Kevin Phillips: American Theocracy. The Peril and Politics of Radical Religion, Oil, and Borrowed Money in the 21st Century. Viking, 462 blz. euro 26,99

    • Menno de Galan