Seks is als een pistoolschot in de concertzaal

Zo actueel als de politieke inzet van “Sneeuw' is, zo ongeloofwaardig zijn de vrouwelijke personages. Lees en discussieer mee op www.nrc.nl/leesclub

De klacht dat Pamuk een al te cerebrale schrijver zou zijn, is wel vaker geuit, maar werd niet eerder zo scherp verwoord als door de Turkse schrijfster Elif Shafak in The Boston Globe. Shafak schreef een boos stuk over Pamuks Istanbul. Pamuk zou een mannelijke, rationele, afstandelijke, didactische en geïntellectualiseerde blik op de stad geven, waarbij “tegenculturen, vrouwen, ,,folk islam'' en bijgeloof, al die dingen die cruciaal zijn voor Istanbul' genegeerd werden. De melancholie die Pamuk in Istanbul ziet, aldus Shafak, is er een die een sentimentele intellectuele elitair zich kan permitteren.

Wat Shafak over Pamuks Istanbul zegt is zonder meer terecht. Toch was dit het eerste boek van Pamuk dat ik in één ruk met veel plezier uitlas. In Sneeuw ben ik zo'n vijf keer vermoeid halverwege gestrand, om het steeds weer te proberen - een bewierookt en urgent bevonden meesterwerk leg je nu eenmaal niet zomaar terzijde. Sneeuw is een kundig, doordacht en goed geschreven boek, daar ligt het niet aan. Het heeft, vermoed ik, precies met dat mannelijke cerebrale te maken. Zo actueel als de politieke inzet van Sneeuw is, zo ongeloofwaardig zijn de vrouwelijke personages, die maar geen echte individuen worden. Ze horen thuis in een andere eeuw, in een andere literatuur, die van de 19de eeuw.

Sneeuw zet in met vier motto's uit de westerse literatuur van Dostojevski, Conrad, Stendhal, Browning. Al die motto's gaan over politiek, over “Europese verlichting', “de westerling' en “religie', en één gaat over politiek en literatuur: “Politiek in een literair werk is als een pistoolschot tijdens een concert: ongepast maar niet te negeren,' zo citeert Pamuk Stendhal. Bij Pamuk lijkt dat motto omgekeerd evenredig waar: politiek in Sneeuw is zelden een onverwacht “pistoolschot'; het ligt er in elke conversatie bovenop en het is altijd gepast.

In Sneeuw ontmoeten we Ka die per bus naar Kars reist. Hij is van plan een reportage te schrijven over de golf van zelfmoorden onder religieuze meisjes, maar ook hoopt hij zijn vroegere geliefde Ipek eindelijk ten huwelijk te vragen. Het is hem ter ore gekomen dat ze is gescheiden. Ka kijkt vanaf de eerste bladzijde al vanachter een glas naar de wereld: vanuit het busraampje tuurt ze naar buiten, maar er valt niet veel te zien: de sneeuwstorm belemmert het zicht. De sneeuw in het boek is nooit zomaar sneeuw, maar altijd literaire, want symbolische sneeuw. Het vervult Ka van “zuiverheid' en “onschuld'. Als hij na aankomst “hotel Sneeuwzicht' binnen treedt, meldt de verteller dat Ka mogelijk naar Kars reist uit verlangen naar zijn “jeugd' en “zuiverheid'. Maar Kars is niet vrij van modernisering, en dat begrijpen we meteen als Ka in lunchrooms en cafetaria's met namen als “Het Nieuw Leven' en “Modern' iets nuttigt of in boekhandel “De Boodschap' een kijkje neemt. Als Ka in slaap valt, pakt de verteller zijn kans om iets over hem te zeggen. Ka is een 42-jarige man, vrijgezel, dichter, intellectueel en hij is per ongeluk door het schudden van de bus op de borst van de reiziger naast hem terecht gekomen. Als hij het geweten had, had hij zich “doodgegeneerd.' Hij is voortdurend “melancholisch, net als de protagonisten in Tsjechov'.

Ka is dat eenzijdig cerebrale type en dat heeft zo zijn gevolgen voor een boeiend vrouwbeeld. We horen hoe hij jarenlang over Ipek heeft gefantaseerd en via zijn ogen kijken we naar haar: ze heeft een “bleke' huid en “glanzende ogen', “kleine handen', een “fijnbesneden gezicht', “honingkleurige schouders', “huiveringwekkend mooi', en als ze niet “geheimzinnig' of “betoverend' glimlacht, dan is er wel een “diepe blos' op haar gezicht. Dit type vrouw - van wie de onbeschrijflijke schoonheid altijd op de eerste plaats komt en niet haar beroep of intelligentie - dat de man afleidt van zijn werk en missie, duikt bij Pamuk wel vaker op. De wijze waarop zijn mannelijke personages smachten naar deze vrouwen, voor hen steeds een onbereikbare liefde is allesverzengend. “In de zaal voor hanengevechten beseft Ka tot zijn schrik dat hij verliefd was op Ipek en dat deze liefde de rest van zijn leven zou bepalen.'

Het moet gezegd: Pamuks vrijpartijen behoren tot de minst opwindende uit de wereldliteratuur. Als Ipek Ka's kus beantwoordt, kan hij het zelf bijna ook niet geloven, maar Ipek helpt hem uit de droom en ontpopt zich onverwacht tot een nuchtere vrouw die met enige plastische assertiveit haar standpunt duidelijk maakt: “Je bent een leuke jongen, en ik wil ook graag met je vrijen, maar ik ben al drie jaar met niemand naar bed geweest, ik ben er nu niet klaar voor,' zei ze.

Het is alsof je de schrijver opgelucht vanachter zijn schrijftafel hoort ademhalen: zo, van die seksscène zijn we af. Het hebben over seks in het werk van Pamuk lijkt op dat pistoolschot tijdens een concert, ongepast maar je kan het niet negeren. “Goed, dan vrijen we nu niet, maar laten we dan nog een paar keer zoenen,' zegt Ka. Maar Ipek wil ook niet meer zoenen. En dus leest Ka maar weer een van zijn gedichten voor. Samen met Ka voelt de lezer zich een beetje eenzaam door de liefde die maar niet geconsumeerd wordt. Het klinkt mooi, maar het schept ook een enorme afstand als we vervolgens het ellenlange gedicht van Ka voor de kiezen krijgen.

Als politieke essayistiek de lakmoesproef is van de schrijver, dan slaagt Pamuk met een griffel, maar als het om waarachtige vrouwelijke personages en seks gaat, dan is de schrijver hopeloos ouderwets, afstandelijk, oninteressant en ja, wat mij betreft ook een beetje saai. Misschien kan ik die mannelijke bevooroordeeldheid in Istanbul goed hebben, omdat de intellectuele beschouwing over de schoonheid van een foto van een gebouw in een non-fictiewerk, hoe cerebraal ook, mij toch plezier geeft, maar de beschouwing over de schoonheid van de onbereikbare vrouw in een “urgente' roman mij ergert.