Receptieterroristen

Wat kon er die dag in hemelsnaam nog misgaan? Een zachte bries streek langs de vruchtenbomen in de heuvels van Boedapest. Een lentezon verwarmde de stad en de eerste roeiers van het seizoen tergden hun spieren op het water van de Donau.

Holiday Spread w/ Goose Jupiterimages

Paul Cox, kunstenaar uit Nederland, had er zin in. Die namiddag vond de opening plaats van een expositie in het Museum Kiscell, waaraan behalve Cox nog een vijftal andere Nederlandse kunstenaars en vakbroeders uit Hongarije deelnamen. Wired Banks - Verbonden Oevers had men de expositie gedoopt. West ontmoet Oost, een verbroedering van geesten - vandaag werd er een culturele brug over de Donau geslagen.

Aan één ding hadden de organisatoren niet gedacht: de drankjes en hapjes voor het buffet achteraf! Of de Nederlandse kunstenaars daar niet zélf voor konden zorgen? Zoals gezegd, het humeur van Paul Cox kon niet meer stuk, en met nog een paar uur te gaan liet hij zich per taxi afzetten bij een lokale supermarkt, gooide drie winkelwagens vol met Hongaarse wijnen en lekkernijen en liet zich weer afzetten bij het museum. Daar ontfermden vier stevige Hongaarse tantes van de catering zich over zijn boodschappen. Stom, héél stom, geeft Cox achteraf toe. “Maar waarom heeft niemand me gewaarschuwd hoe het er op een Hongaarse vernissage aan toe gaat? Dit heb ik nog nóóit meegemaakt!“

Voor de doorgewinterde Boedapester receptieganger gebeurde er die middag helemaal niets vreemds. Het scenario is onveranderlijk: de plechtige toespraak van de dienstdoende kunsthistoricus of galeriehouder is nog niet ten einde, of de genodigden verdringen zich al rond het buffet. “En dáárom, geachte kunstminnaars, is het voor mij een grote eer“, probeert de spreker op dwingende toon zijn verhaal nog af te ronden. Maar tegen die tijd wordt hij allang overstemd door het geluid van geslurp en gesmak. Schaamteloos stort men zich op de ganzenlever en kaas. Flessen wijn worden in rap tempo leeggeschonken. Geoefende bezoekers laten met gemak, en zonder in de gaten te lopen, broden en gerookte vis verdwijnen in een speciaal daarvoor meegenomen plastic tas. Binnen een kwartier is het Hongaarse kunstbuffet verworden tot een slagveld. En voor wie er niet op tijd bij is, of zich hooghartig op een afstand houdt, resten slechts bodempjes wijn in belipstifte glazen en treurig stemmende vetrepen die kort daarvoor nog een klomp paté omhulden.

Arme Paul Cox. Helemaal naar Boedapest gekomen, om “oevers te verbinden', maar niemand die zich bekommert om zijn artistieke installaties. Met verbijstering in zijn ogen slaat hij het schransende gezelschap gade. De wijn is op, beweren de vier tantes van de catering aan wie Cox 's middags vol vertrouwen het buffet had uitbesteed. “Maar dat is onmógelijk“, reageert hij ontzet. “Van wat ik had ingekocht is hooguit de helft op tafel gekomen?!“ De conclusie doet pijn: ook de dames zitten in het complot. Als zij vanavond thuiskomen verdwijnen Cox' inkopen in hun ijskasten.

In een restaurant in de stad, later op de avond, zoekt het Nederlandse gezelschap naar een verklaring. Is het botte desinteresse die de Hongaarse kunstliefhebber naar het buffet drijft? Was het maar wáár, zegt Zoltán, een bevriende Hongaarse theaterprogrammeur, die is aangeschoven. “Dan hadden we tenminste nog te maken met kritische geesten die geen hypocrisie kennen.“

Maar de ware reden is dat het gros van de receptiebezoekers komt omdat ze honger hebben. “Het is een circuit van overwegend oudere mensen, sommigen met een verleden als kunstenaar, die elkaar per telefoon op de hoogte houden waar die week de recepties zijn. Ze komen er om te eten en te drinken.“ De aanvankelijke verontwaardiging onder de Nederlanders maakt dan plaats voor meligheid, maar Zoltán is streng: “Dit is níet om te lachen. Het toont de erbarmelijke situatie aan van een oudere generatie in ons land.“

De party crasher-op-leeftijd, ook wel aangeduid als de receptieterrorist - het is een fenomeen waar veel kunstinstellingen in Boedapest onder gebukt gaan. Het Goethe-instituut en het Italiaanse Culturele Centrum liggen vanzelfsprekend op de kunstbuffetroute, en ook het Institut Français is populair. Medewerkers van het Institut hebben inmiddels een scherp profiel: de gemiddelde receptieterrorist is een vrouw van zestig-plus met een zelfgebreide wollen muts op het hoofd en een lege tas aan de arm. In het verleden was iedereen er welkom, maar inmiddels heeft men passende maatregelen genomen. Aan de deur zit nu een conciërge met een getraind reukorgaan. Het is niet leuk om te zeggen, geven de medewerkers toe, maar de oudere bezoeker die een penetrante lucht verspreidt wordt de toegang ontzegd. Ook is het Institut gestopt met het rondsturen van papieren uitnodigingen. In plaats daarvan wordt er per email kond gedaan van openingen.

Als laatste oplossing heeft de catering van het Institut dan maar het buffet afgeschaft. Nu gaat men gefaseerd rond met dienbladen. Het nieuwe beleid is begrijpelijk, maar hopelijk blijft men een kleine groep toch gedogen. Want niet zelden zijn het slechts hongerige receptieterroristen die zich melden voor de opening van een Japanse keramiste of een houtsnijdende Let. Om je nieuwe keramiek aan te moeten prijzen in een lege expositiezaal, met een weldadig gevulde buffettafel die onaangeroerd blijft, is ook geen pretje.

    • Tijn Sadée