'Pas met grafiek kwam de lol erin'

In de twaalfde aflevering van “17', een serie gesprekken met bekende vrouwen over hun jeugd, Marte Röling, beeldend kunstenaar.

“Ik was een jaar of negen en stond op een avond alleen buiten in de sneeuw en het was heel stil. Om me heen stonden grote eikenbomen en de sneeuw dwarrelde neer en toen had ik ineens het gevoel dat ik wist wie ik was.

“We woonden in het Gooi: een gezellig gezin met ateliers en muziek. Ik was een kind dat alles mee had. Mijn vader was kunstschilder maar ook hoogleraar aan de Rijksacademie. Mijn ouders hebben elkaar op de Academie ontmoet. Als iemand vroeg: “Wat ga je later doen?' dan zei ik “Naar de Academie'.

“Ik tekende altijd op van alles en nog wat. Op de lagere school mocht ik grote tekeningen op het bord maken, maar rekenen was niet mijn sterkste punt. Mijn vader maakte wel eens mijn sommen en dan vroeg hij de volgende dag: “Wat hebben we voor cijfer?'

“We gingen met mijn ouders veel op reis: museum in museum uit. Ik was niet zo'n “typisch Goois' kind. Ik werd verliefd op een jongen die op hockey zat, dus ik moest ook op hockey. Mijn ouders vonden dat een verkeerde wereld: Het soort mensen van het “gin- tonicje na afloop', daar waren ze als de dood voor.

“Als mijn vader in zijn atelier zat te schilderen, kreeg ik ook een ezel, een paneeltje en verf. Hij schilderde en ik schilderde. Het was op een avond, het begon te schemeren en we hielden ermee op toen ik nog gauw een grote ultramarijne riedel boven mijn stilleven zette. “Waarom doe je dat?' “Omdat ik het mooi vind', antwoordde ik. Geweldig vond hij dat! Hij leerde me over anatomie, hoe een hoofd of een hand in elkaar zitten en hoe je een paard tekent.

“Bij de toelating op de Rijksacademie in 1957 was ik een van de jongsten. Na het verplichte voorbereidend jaar heb ik twee jaar bij mijn vader les gehad. Ik wou eigenlijk naar monumentaal, grote dingen maken, maar ik ging schilderen. Dat eerste jaar stond ik wel te schilderen, maar ik vond niks goed.

“Pas met grafiek kwam de lol erin. Met litho's heb ik enorm veel tentoonstellingen gehouden. Mijn record was 126 eenmans- en groepstentoonstellingen in een jaar, dat was inpakken en uitpakken. Bij openingen stond iedereen klaar om de jonge kunstenares te ontmoeten en ik kwam helemaal niet.

“Mijn verlegenheid belette me niet om wel twintig reclamebureaus af te lopen en bij de eenentwintigste mocht ik een paginagrote advertentie voor de Bijenkorf tekenen. Dat zag Jeanne Roos, die een modetekenaar zocht voor Het Parool. Daarna tekende ik iedere week een halve pagina vol met mode-illustraties. Mijn vader stond regelmatig in de krant als hij een tentoonstelling had. Toen ik zelf met mijn werk in de krant kwam, vond ik dat dan ook heel gewoon en keek ik er niet naar om.

“Op mijn negentiende kreeg ik de jeugdprijs van de gemeente Hilversum. Het werk werd tentoongesteld. Escher, die de hoofdprijs had gekregen, behandelde mij als een volwassen collega, dat vond ik bijzonder van hem.

“Willem Duys had een leuke show op de televisie met tijgertjes en van alles en nog wat. Hij nodigde me uit om mijn grafiek te laten zien en er over te vertelllen. Eigenlijk is dat het moment geweest waarop mensen me op straat gingen herkennen. Mijn moeder keek er raar van op toen ze met mij door de stad liep en veel mensen me groetten.

“De eerste keer dat ik Henk Jurriaans ontmoette... Ik woonde al jaren samen met Hans Koetsier. We werden gevraagd voor een feest en daar zag ik Henk staan tussen de andere gasten. Ik geloof dat op dat feest wel vijf vrouwen om hem heen hingen en ik dacht: “Dat is nou wat ik bedoel. Daar heb ik al die tijd naar gezocht“.

“Hij was het helemaal: in uiterlijk en gedrag, en stem, en wat hij allemaal zei. Ik ben zesendertig jaar met hem samen geweest. We woonden hier met vier vrouwen, maar dat heeft me niet belet om steeds meer van hem te gaan houden. Ik zag hem dag en nacht. We hebben zesendertig jaar gekletst, gepraat, gebrainstormd.

“Ik had verwacht dat Henk altijd zou blijven leven. Ik verheugde me er al op om hem te zien als hij tachtig was. Maar nee. Daarna is mijn leven totaal anders geworden. Een week na zijn dood ben ik begonnen gigantische portretten van hem te schilderen als een poging hem tot leven te wekken. Ik ga nu aan mijn drieëntwintigste portret beginnen. Iedere seconde van de dag denk ik aan hem. Als ik alleen was geweest had ik mezelf afgemaakt, heel simpel.

“We werken nu met zijn vieren. Alle drie de vrouwen zijn ooit bij Henk gekomen en daardoor ook bij mij. Inmiddels hebben we een soort werkverdeling.

“Wij hebben - bijna formeel - nadat Henk dood was, gezegd: “We blijven bij elkaar', wat eigenlijk logisch is: iedereen woont hier en werkt hier, dit is van ons allemaal, maar toch: een verklaring van: nu gaan we het met z'n vieren proberen te redden. Dat lukt vrij goed. We zijn hele harde werkers. Dingen zijn op tijd af, al moet de onderste steen boven komen.“

    • Frank Dam