'Overleven kan alleen door grenzen te overschrijden'

De Tweede Wereldoorlog bestond voor schrijver Jacq Vogelaar uit verhalen over heroïsche vliegeniers en officieren die ontsnapten uit Duitse gevangenschap. Tot hij in 1964 op een boek met kampervaringen stuitte. Meer dan veertig jaar later publiceert hij een groot essay over literaire verslagen uit Duitse en Russische kampen.

Jacq Vogelaar Foto Leo van Velzen Amsterdam, 19/04/06. Jacq. Firmin Vogelaar. Schrijver. Foto Leo van Velzen Nrc Hb. Velzen, Leo van

“Ik richt nu een persoonlijk verzoek aan jou, jij die deze geschriften zult vinden en uitgeven: ga naar het aangegeven adres om uit te zoeken wie ik ben. Vraag mijn familie de foto van mijn naasten en van mij samen met mijn vrouw. Plaats onze foto's naar eigen goeddunken in het boek. Zo wil ik hun dierbare namen onsterfelijk maken, om wie ik nu zelf niet eens een traan kan laten. Ik leef namelijk in de hel van de dood en ben niet in staat de reikwijdte van mijn verlies te peilen.'

Dit zijn woorden uit een manuscript van Zalmen Gradowski, een jonge jood die deel uitmaakt van een Sonderkommando in Auschwitz-Birkenau. In september 1944 bereidt hij samen met zijn lotgenoten een opstand voor die een einde moet maken aan hun verschrikkelijke werk in de gaskamers. Gradowski voelt aan dat hij het er niet levend vanaf zal brengen. Maar voordat hij sterft wil hij de wereld laten weten dat hij heeft bestaan, dat hij een vrouw had, ouders, schoonouders, een zuster, mensen met een naam en een verleden. Samen met de teksten van enkele medegevangenen wordt zijn manuscript in een aantal flessen gestopt en begraven in de ashopen in het kamp, om na de oorlog te worden gevonden.

Gradowski's relaas is een van de aangrijpendste passages in Over kampliteratuur, het vuistdikke essay dat schrijver Jacq Vogelaar (Tilburg, 1944) in drie jaar tijd schreef over de literaire aspecten van verslagen uit de Duitse en Russische concentratiekampen. “Gradowski en zijn lotgenoten wilden met een “literaire bloemlezing', zoals ze hun teksten noemden, vertellen dat er in Auschwitz gelééfd werd, ook al stonden ze oog in oog met dood,“ zegt Vogelaar in zijn Amsterdamse woonkamer. “Zijn manuscript van meer dan honderd pagina's was geen noodkreet, geen uit de trein gegooid briefje met “ik ben daarheen, geef dit aan mijn familie'. Want hij schrijft dat zijn familie al dood is en hij hen “morgen' zal volgen. Door alles voor zichzelf op te schrijven en niet voor een publiek pleegde hij een verzetsdaad.“

Had dat “schrijven voor jezelf' nog een andere functie?

“Een onbewuste drijfveer voor veel kampschrijvers was dat ze wilden weten wat er met hen was gebeurd. Hun boeken zijn in de eerste plaats een zelfonderzoek en geen getuigenis. Toen de jonge Franse verzetsstrijder Robert Antelme vrijkwam woog hij nog maar 35 à 40 kilo, leed aan tyfus en was eigenlijk dood. In het ziekenhuis praatte hij wekenlang in een delirium alleen maar over het kamp. Die “moerastaal' wilde hij in een vorm gieten, om zijn ervaringen te kunnen begrijpen. Dat heeft hij gedaan in De menselijke soort, uit 1947.“

Hoe is uw fascinatie voor kampliteratuur begonnen?

“In 1964 stuitte ik op een boek van de Tadeusz Borowski, Stenen Wereld. Ik wist niet wat ik las. Mijn generatie was opgegroeid met verhalen over heroïeke vliegeniers en ontsnappingen van Engelse officieren uit Duitse interneringskampen. En nu schreef iemand op keiharde, genadeloze toon over zijn kampervaringen. Borowski is een niet-joodse Pool die in Birkenau belandt, een kamp waar joden worden vermoord. Hij maakt er vuile handen, maar steekt dat niet onder stoelen of banken. Sterker nog, hij benadrukt dat je alleen kunt overleven door grenzen te overschrijden en gebruik te maken van de kleine marge die je hebt om de volgende dag te halen. Tegelijkertijd kijkt hij - en kijken is schrijven. Daardoor is hij een ijkpunt voor me geweest bij het lezen van andere kampboeken.“

Wat voor een boek had u voor ogen?

“Het mocht geen theoretische studie worden. Ik was al blij als ik verhalen vond die op zichzelf konden staan. In de overvloed aan getuigenissen wilde ik een paar wegen banen om te laten zien dat er nogal wat goede literatuur bestaat. Zo ontdekte ik dat ik steeds meer met echte schríjvers bezig was.“

Die goede kampschrijvers zijn volgens u altijd buitenstaanders, waarnemers. Hoe komt dat?

“Die waarnemende blik hadden ze altijd al. De overlevenden vormden een minderheid en van hen was er weer een minderheid die schreef. Het grootste deel daarvan bestond uit jonge intellectuelen van zo'n twintig jaar oud. Het zijn studenten die soms maar wat aan het klooien zijn. Uit het dagboek van David Koker krijg je soms de indruk van een vakantiekamp, waar iedereen lekker aan het herrieschoppen is.“

Bestaat er een verschil tussen de Antelmes, die na hun bevrijding alles onmiddellijk opschreven, en de overlevenden van de goelag, die pas na vele jaren getuigenis aflegden?

“Veel dagboeken zijn pas jaren later geschreven op basis van aantekeningen. In de heksenketel van herrie, stank en chaos in de Duitse concentratiekampen was het tenslotte onmogelijk iets te schrijven. In de goelag werd helemaal niet geschreven, omdat er geen papier was. En als het er wel was werd het door criminelen gebruikt om sigaretten van te draaien. De kampautoriteiten waren gefixeerd op de mogelijkheid dat op ieder stuk papier iets geschreven kon worden dat gevaarlijk voor hen was. Varlam Sjalamov beitelde zijn “Berichten uit Kolyma' in zijn geheugen en sleep steeds maar aan diezelfde zinnen. Hij dacht pas aan schrijven toen hij na zeventien jaar eindelijk weer een boek in zijn handen kon houden. Pas na zijn definitieve vrijlating, vijf jaar later, begon hij echt te schrijven.

“Hoe later je je ervaringen opschrijft, hoe meer stof er bij komt. Vergeet niet dat behalve iemands kampervaringen ook zijn voorgeschiedenis belangrijk is en - wat in bijna geen enkel kampverhaal goed uit de verf komt - de verwoestende uitwerkingen van het kamp op iemands verdere leven.“

Een van de door u behandelde schrijvers is Elinor Lipper, die elf jaar in de goelag doorbracht. Wat maakt haar boek zo bijzonder?

“Ik noem haar boek, Elf Jahre in sowjetischen Gefängnissen und Lagern, ironisch de “Draagbare goelag archipel'. Lipper liet me zien dat de betere kampschrijvers een procédé ontwikkelden waarmee ze hun persoonlijke ervaringen tot die van miljoenen anderen konden vermenigvuldigen. Ze ontwikkelen een sociologische blik en schetsen in kort bestek biografische portretten van mensen die ze in het kamp hebben meegemaakt.“

U behandelt ook de kapo. Is dat de kampmens bij uitstek?

“Antelme beschrijft hoe ordinaire Duitse misdadigers, als ze een uniform aantrekken, zich langzamerhand ontpoppen als een kapo, terwijl ze aanvankelijk samen met de politieke gevangenen op transport zijn gezet. Op die manier zie je de kapo geboren worden. Zo'n metamorfose had ik nog niet eerder gelezen. Bij Primo Levi is de kapo gewoon fout, amen uit.“

Werd uw inzicht al lezende dieper?

“Via Gustaw Herlings Een wereld apart kwam ik uit bij de Aantekeningen uit het dodenhuis van Dostojevski. Ik heb er enkele handleidingen voor het lezen van kampliteratuur aan overgehouden. Dostojevski's hoofdpersoon is een adellijke moordenaar. Aanvankelijk meen je wel te weten wat hem in het kamp wacht. Maar voor zijn beschrijving van zijn eerste dagen heeft de verteller honderden pagina's nodig, zo vreemd is alles hem. Dat is precies wat de lezer van kampverhalen gaandeweg overkomt: als je doorleest en op de verschillen en niet op overeenkomsten let, ontdek je dat het kamp een wereld apart is, waar echt alles anders is.“

Weet u inmiddels of er een meesterbrein achter de kamporganisatie zat?

“Solzjenitsyn veronderstelt dat iemand een blauwdruk van de goelag heeft gemaakt. Diegene mag van hem geen Rus zijn, maar wel een joodse levantijn die aan Stalin een blauwdruk heeft overhandigd. Solzjenitsyn schept daarmee een gevaarlijke mythe. Maar volgens mij worden de brains van het kamp gevormd door de kleine plebejers op de werkvloer, die vaak een veel grotere fantasie hadden dan zij die het kampsysteem zogenaamd hebben uitgedacht.

“De Pool Józef Czapski, die tussen 1939 en 1941 in de goelag zat, kreeg na de Duitse inval in Rusland in 1941 amnestie. Zijn superieuren gaven hem nu opdracht om zoveel mogelijk in de kampen verdwenen Polen op te sporen. Hij ging daartoe op zoek naar de leiding van de goelag, maar kon die nergens vinden. Volgens hem moest die leiding de omvang van een hele stad hebben, de goelag was tenslotte immens groot. Na vele omzwervingen komt hij in een provincieplaats waar hij van een conciërge hoort dat hij in dat en dat gebouw moet zijn, op de tweede verdieping. Daar ziet hij tussen de drankflessen de top van de goelag zitten, met een grote landkaart achter zich met daarop al die duizenden kampen. De mythe veronderstelt dat de kampen een geoliede machine vormden en het brein dus ook van een enorm sinister inzicht moest getuigen. De werkelijkheid was heel anders en bestond uit domheid die zich hoogstens ter plaatse heel slim kon uiten.“

Jacq Vogelaar: Over kampliteratuur. De Bezige Bij, 685 blz. 39,90 euro

    • Michel Krielaars