Noor

“Maar er is kermis op het plein“, probeerde Noor. “We kunnen toch wel even gaan?“ Haar moeder gromde. Haar armen staken tot de ellebogen in een kom; ze zat onder het meel.

Om de keukendeur verscheen het hoofd van Noors jongste broer. “Weten jullie wel dat de kermis er is?“ vroeg hij. Nog geen vijf minuten later kwamen Noors andere twee broers vertellen dat er kermis was. Daarna bleef het lang stil in de keuken. Noor ging op het aanrecht zitten. Haar moeder kneedde voort.

“Opa komt“, zei ze uiteindelijk. “Straks. Help me liever, in plaats van over circussen te zeuren.“ Ze waste haar handen en slingerde een net met sinaasappels op Noors schoot. “Hier. Pak een scherp mes en een lepel uit het laatje. Kapje eraf en uithollen.“ Noor ging met de sinaasappels aan tafel zitten.

De eerste sinaasappel vond het geen goed idee, het afhakken van zijn petje. Hij maakte dat hij weg kwam en rolde onder het fornuis. De tweede sinaasappel was half rot. De derde ging scheef. Bij de vierde begon het te lukken. Noor liet alles wat uit de sinaasappel kwam in een kom druipen. Haar moeder ging er pudding van maken, met ei en room en zo.

“Waarom kwam opa eigenlijk niet gewoon op het paasontbijt, mam?“ vroeg Noor. Er waren wel achttien mensen gekomen, onder wie haar vriendin Hasnae, die thuis geen Pasen vierde. Ze hadden eitje tik gedaan - tante Frederiek had een kampioensei gehad, ze won steeds - en chocoladehaasjes gezocht, in de tuin.

“Ach“, zuchtte Noors moeder. “Je weet hoe hij is. Hij lust zogenaamd geen koud eten en hij kan niet tegen drukte Even denken. De soep is klaar. De aardappels ook, voorzover mogelijk, het deeg, en de garnalen. Hoe ver ben je met de sinaasappels?“

Even later schoof Noor een schaal vol lege sinaasappels de ijskast in. Haar moeder zou ze straks vullen met de pudding. “Gaan we dan nu nog even“, vroeg Noor. “Alsjeblieft?“

“Toet, toet, boing, boing“, zei haar moeder. “Al je euro's weg, in één klap! Nou vooruit. Maar wel je jas aan.“ Het reuzenrad ging hoger dan de daken.

Op de terugweg regende het. Voor hun huis wachtte een kleine, erg kwade mijnheer. “Opa!“ riep Noor zo blij als ze kon. Aan tafel bleef opa mopperen, op hun te lange haren, op hun vieze nagels, op hun school waar ze vast en zeker niets leerden, op de kermis vooral. Hij zei van niets dat het lekker was, maar hij at alles op. Alles. Noor zag het gebeuren, bij het toetje. Ze zag hoe opa een stuk van het bakje waarin de pudding zat sneed, het in zijn mond stak, er lang en ernstig op kauwde. Maar ze zei niets. Ze probeerde niet te lachen, en ze zei lekker helemaal niets.

Volgende week in Groep Zes: Theo

    • Judith Eiselin