Nederlandse adel wendt zich niet af van het hof

In hun boek `Vertel dit toch aan niemand` vermelden Dorine Hermans en Daniëlle Hooghiemstra een collectie petites histoires van dertien adellijke nazaten van personen die ooit aan het hof hebben gediend (NRC Handelsblad, 13 april). In hoeverre zijn die representatief voor de mening van de hele adel en in welk perspectief moeten wij die meningen plaatsen?

Sinds 1813, toen de Oranjes het in ons land door de Fransen geïntroduceerde koningschap continueerden, verhieven zij de bestaande regenten-elite in rap tempo in de adelstand, die tot dan toe voornamelijk had bestaan uit de oude landadel. Hierdoor werd een nauwere band gesmeed tussen de genoemde groep en het hof. De hofhouding van de Oranjes bestond voor bijna anderhalve eeuw uit veel personen die voortkwamen uit deze, voor Europese begrippen, jonge adelstand. Dit type hofhouding liep af tijdens de regeerperiode van koningin Wilhelmina; ergens rond 1940. Ook onder koningin Juliana nam de aanwezigheid van de adel aan het hof verder af. Het is dus beslist niet een wending die voor het eerst door onze tegenwoordige koningin is ingezet.

Ook is de veronderstelling niet juist dat de Nederlandse adel zich thans van het hof afwendt. Deze stellingname van de dertien geïnterviewde adellijke personen lijkt in schril contrast te staan met de uitkomsten van een onderzoek naar de mening van de Nederlandse adel over het hof. Daaruit blijkt dat de huidige adel een duidelijk onderscheid maakt tussen het dienstbaar zijn aan het `koninkrijk` en aan het `hof`. Men voelt een sterke binding met het monarchale karakter van ons landsbestuur - daarop is een groot deel van de adelstand immers gebaseerd - maar trekt daaruit niet meer de consequentie dat zij betrokken behoort te zijn bij het hof(leven) van de vorstin. En dat is heel wat anders dan “het zich afwenden“.