Ik mag alles denken

In het oeuvre van de Vlaamse auteur David van Reybrouck vormt Afrika de rode draad. Zijn nieuwste theaterstuk “N.', over Ivoorkust, is nu te zien in Gent.

David Van Reybrouck Bart Dewaele David Van Reybrouck: auteur Dewaele, Bart

Het toneelstuk “N.' vertelt het verhaal van Raymond Borremans, die in 1929, na een ongelukkige liefde, Frankrijk verliet om zich voorgoed in Afrika te vestigen. Hij trok er rond met een eenmansorkest en een rondreizende bioscoop. De resterende vijftig jaar van zijn leven wijdde hij aan de redactie van een encyclopedie, de Grote Encyclopedische Dictionnaire van Ivoorkust, bijgenaamd “de Borremans'. Hij kwam niet verder dan de letter N.“

Met passie en mededogen vertelt de Belgische schrijver-archeoloog David Van Reybrouck (34) in zijn Brusselse woning over de productie die vorige maand in Het Toneelhuis in de Belgische hoofdstad in première ging en waarvoor hij de tekst schreef. “De combinatie van ernst en speelsheid, van lichtvoetigheid en trauma - dat interesseerde mij bij Borremans.“

Niet voor het eerst houdt Van Reybrouck zich bezig met Afrika. Een paar jaar geleden publiceerde hij De plaag, een bekroonde “non-fictieroman' met de ondertitel “Het stille knagen van schrijvers, termieten en Zuid-Afrika'. Het boek begint als een speurtocht naar het vermeende plagiaat van België's Nobelprijswinnaar Maurice Maeterlinck, maar wordt allengs een beschouwing over de maatschappelijke en politieke werkelijkheid van Zuid-Afrika.

Een paar jaar later schreef Van Reybrouck Die siel van die mier, een muziektheaterproductie die zich afspeelt in het Kongo van de vroege jaren zestig.

“N. gaat over de manier waarop mensen naar de wereld kijken om zichzelf niet te hoeven zien. In Die siel van die mier draaide het om iemand die zijn leven lang termieten heeft bestudeerd en uiteindelijk tot het besef komt dat die kennis alleen maar een manier was om een trauma te verdringen, om basale angsten te beheersen. Beide stukken zijn een monoloog van een oude man die tot het besef komt dat hij in een leugen heeft geleefd.“

Zeven keer was Van Reybrouck in Afrika, waarvan viermaal in Kongo. “Afrika is de grootste economische en politieke uitdaging voor de komende vijftig jaar. Het Westen moet dan ook zoeken naar een betrokkenheid die laveert tussen paternalisme en onverschilligheid. De kunstensector kan daarbij een belangrijke rol spelen.“

Identiteit

Wat speelt er volgens Van Reybrouck in de hedendaagse literatuur, in het moderne toneel? “De terugkomende term is het aftasten van identiteit, zeker bij West-Europese auteurs“, zegt hij. “In de Lage Landen bestaat een groot verschil tussen allochtonen en autochtonen: de eerstgenoemden beschikken vaak over een fermheid, een militantisme dat wij kwijtgeraakt zijn. Neem de manier waarop Hafid Bouazza knokt om aan te tonen dat de Arabische poëticale traditie op bepaalde momenten erotisch en pornografisch is geweest. Zo'n strijdlustige houding vind je verder hoogstens in de homoseksuele of feministische hoek. Daar zitten de rebels with a cause.

“Dankzij het postmodernisme van de jaren tachtig en negentig heeft de West-Europese literatuur moeite bepaalde standpunten in een kader te plaatsen. De eigen identiteit is dan ook problematischer geworden.

“Steeds meer mensen van mijn generatie zijn overtuigd van waarden als democratie en pluralisme, maar vinden het moeilijk die waarden te vertalen naar een extern engagement. Die onmacht komt voort uit angst voor een moreel kolonialisme: het zo gevreesde “opdringen van eigen waarden'. Maar als je overtuigd bent van een aantal standpunten, moet je ervoor knokken en het debat aangaan.“

Het grote verhaal waar hijzelf op teruggrijpt, is dat van het klassieke humanisme. Heinrich Böll, Albert Camus en Tzvetan Todorov zijn zijn “peetvaders'. “Böll en Camus schreven vanuit een groot humanisme, een franjeloos mededogen. Zij zijn zowel scherpe als warme auteurs. Scherp in de zin dat ze de problemen heel duidelijk onder woorden brengen, warm omdat ze een analyse, die gemakkelijk aanleiding kon geven tot wanhoop, altijd vergezeld laten gaan van een soort mededogen. De hoofdpersoon uit Camus' L'étranger, hoe afschuwelijk hij ook is, kun je navoelen - hij wordt niet veroordeeld, wel geanalyseerd en geïnterpreteerd. De clown in Ansichten eines Clowns is een figuur in wiens tristesse iedere lezer zich wel herkent. Bij sommige passages krijg ik steeds weer tranen in mijn ogen. Dat geldt vooral daar waar Böll zijn personages als individuen ziet. Het gaat mij vooral om de manier waarop de clown door de geschiedenis wordt verscheurd en toch nog als mens van vlees en bloed wordt geportretteerd.“

Binnen de Nederlandse letterkunde voelt Van Reybrouck zich het meest verwant met essayisten als Vermeylen, Ter Braak en Du Perron. Hij betreurt het dan ook dat het essay binnen de literaire genres zo'n lage plaats in de hiërarchie heeft. “De neiging om de roman als het koninginnegenre te beschouwen deel ik niet.“

Onlangs werd er in deze krant geschreven over het verschil in kwaliteit tussen Vlaamse en Nederlandse literatuur. Bestaat er wel zoiets als een Belgische literatuur? Van Reybrouck: “Ik zie een groeiende toenadering tussen de Vlaamse en de Franstalige Belgische literatuur en een verwijdering tussen de Vlaamse en de Nederlandse. Dat is een interessante ontwikkeling, vooral omdat ik een aantal tendensen in de Nederlandse literatuur niet de meest boeiende vind. Zeker het klassieke verhalende proza boeit me niet zo. Tonnus Oosterhof, Arjen Duinker en Robert Anker zijn wel dichters die grenzen verleggen.“

Van Reybrouck ziet wel degelijk typisch Belgische literaire kenmerken en ontwikkelingen. De zelfspot bijvoorbeeld en in toenemende mate ook “de trots op het feit dat we ons toch maar mooi kunnen beredderen met al onze verschillende identiteiten. Het Belgische model, met al zijn haken en ogen, kan een politiek model voor Europa zijn. Je hebt hier een vreedzaam samengaan van verschillende bevolkingsgroepen, er is nooit een dode gevallen, daar mogen we best trots op zijn. De Belgische constructie is mij dierbaar. Hij is duur, heeft bloed, zweet en tranen gekost, maar hij werkt. Dat dit model steeds harder wordt aangevallen, en niet alleen door het Vlaams Belang, ontstemt me dan ook zeer.“

In diezelfde constructie ontwaart hij ook een literaire variant. “Misschien is het wel mogelijk om daadwerkelijk kennis te nemen van anderstalige literatuur op een manier die verder gaat dan alleen maar een soort exotisme of een verkenning. We zijn hier in Brussel bezig invulling te geven aan wat een stadsdichterschap voor deze stad zou kunnen betekenen. Maar in een stad waar meer dan honderd talen gesproken worden kun je toch niet op de proppen komen met één Nederlandstalige dichter! Ik ben bezig een dichterscollectief op te starten. Er zijn tientallen dichters in Brussel, wat een rijkdom, die wil ik leren kennen! Alle grote Kongolese intellectuelen wonen bijvoorbeeld in Brussel.“

Opvallend is dat geen van Van Reybroucks uitspraken over literatuur gespeend is van maatschappelijke betrokkenheid. “Mijn literaire uitspraken zijn inderdaad vaak politiek. Maar waarom hebben we anders Oriëntalisme van Edward Saïd gehad, waarin wordt aangetoond dat de literaire canon toch wel buitengewone politieke uitspraken deed over de Oriënt? Als elk spreken politiek is, kunnen we ons er maar beter bewust van zijn.“

Termieten

In zijn essays neemt Van Reybrouck positie over wat hem bezighoudt, over de publieke ruimte, over de wijze waarop er wordt omgegaan met terrorisme, over Rilke en de universiteit. Het komt allemaal terug in zijn toneelwerk. “Binnenkort ga ik een toneelstuk schrijven over Belgische missionarissen in Kongo. Dat gaat over het spanningsveld tussen autonomie en engagement, tussen ascese en missie. Kies je, als je toetreedt tot een kloosterorde, voor de kluis waarin je in je afzondering langs hele hoge toppen kunt scheren, of kies je voor je missie waarbij je je handen vuil maakt? Voor mezelf ben ik er nog niet uit.

“Alles cirkelt uiteindelijk om de eigen vragen. Acht jaar geleden ging ik voor het eerst van mijn leven skiën. Met een groep van vijftien vrienden gingen we naar de Noord-Italiaanse Alpen. Van die vijftien zaten er vijf in de cabine die toen door een Amerikaans vliegtuig naar beneden is gehaald. Vijf van mijn beste vrienden zijn gestorven. Dat kleurt alles wat ik doe. Het heeft mij een grote urgentie meegegeven om zinvol werk te doen.“

“N.' i s vanavond en zaterdag nog te zien in Vooruit in Gent. Inl.: www.toneelhuis.be. “De plaag' van David Van Reybrouck verscheen bij Meulenhoff. Op 12 mei spreekt Van Reybrouck in de Balie in Amsterdam, op het symposium “Opdracht en gevolg'.