Gered door mijn vet

Ik ben bijna verdronken tijdens het roeien. Wist je dat al? Ik moet er nog van rillen als ik eraan terugdenk. Gelukkig had ik de laatste weken veel kroketten gegeten en ben ik gered door mijn vet.

Kroket van Kwekkeboom Foto NRC H'Blad, Maurice Boyer 031128 Boyer, Maurice

Ik had het vorige week zo druk op school dat ik besloot een ochtendje te spijbelen om te gaan roeien. Het water was zo glad als een reuzespiegel en voor het eerst sinds maanden scheen de zon. Ook waren er allemaal fuutjes met elkaar aan het knuffelen. O, wat was alles mooi.

Twee kilometer van het clubgebouw vandaan, vlak voor een brug, kwam ik eindelijk een beetje op gang. Mijn skiff gleed als een zwaan door het water. Vervelend was alleen dat de laagstaande zon in mijn gezicht scheen. Daardoor kon ik, als ik omkeek, niet altijd alles even scherp zien. Maar ja, wat kon mij nu overkomen? Ik had al zo veel geroeid.

En precies op dat moment hoorde ik een enorme klap en werd ik uit mijn skiff het water in geslingerd. Toen pas zag ik dat ik tegen een stilliggend schip was opgevaren, dat voor een pijler van de brug midden op de rivier lag.

Altijd bij je boot blijven, had ik ooit geleerd. Ik zwom dan ook met mijn skiff naar de wal. Daar lagen allerlei woonboten en zou ik op een vlot kunnen klimmen en van dat vlot weer in de boot. Want ik moest zo snel mogelijk terug naar het clubgebouw, naar de warme douche, en dan naar huis naar mijn moeder. Maar er waren helemaal geen vlotten. Ik voelde nu hoe mijn fleecetrui steeds meer een grote spons werd die me naar de rivierbodem trok. En ik kreeg het steeds kouder en kouder!

“Help!“ riep ik luidkeels. Maar er was niemand om te helpen. “Help!“ brulde ik nog eens. Bijna een kwartier lang, een kwartier dat eeuwen duurde, dacht ik dat ik nooit meer uit het water zou komen. Verdrinken tussen de knuffelende watervogels, het leek me helemaal niets. Maar toen zag ik achter een raam van een woonboot een jongetje staan, dat een glazen deur opende. “Pappa, er ligt iemand in het water!“ riep hij.

Meteen daarna verscheen zijn vader, een grote man met enorme spierballen. Hij klom uit een keukenraam op een hoge plank die aan zijn boot vast zat en legde mijn riemen loodrecht op de skiff. “Ga op de punt zitten en wip dan langzaam naar je rolbankje toe“, zei hij alsof hij dit iedere dag deed. Als een fuutje schoot ik uit het water en zat ik op de punt van de skiff. Naar voren, naar voren, ik moet naar voren, dacht ik nu. En voordat ik het in de gaten had, zat ik weer op mijn plek, drijfnat en nog veel kouder dan eerst. Maar nu kon ik tenminste terugvaren.

Op de roeiclub heb ik een uur in mijn roeikleren onder de douche gestaan, maar ik kreeg het maar niet warm. Het was alsof er miljoenen naalden in mijn huid werden gestoken. Als ik eraan terug denk bevries ik bijna weer. Mijn enige troost was dat als ik mager was geweest ik waarschijnlijk verdronken was van de kou. Dus: leve de kroket!

    • Michel Krielaars