Geen uitweg meer uit de Jordaanvallei

Stapje voor stapje vordert de Israëlische annexatie van de Jordaanvallei. De muur wordt steeds langer en de nederzettingen groeien. Weg met de bedoeïenen en de groentetelers.

Gezicht op Maaleh Adumim, de grootste Israëlische nederzetting op de Westelijke Jordaanoever. Hier zal een stad verrijzen met 100.000 inwoners, waarvoor bedoeïenen en Palestijnse tuinders moeten wijken. foto Willemijn Outhuyse Outhuyse, Willemijn

Het wordt steeds stiller in de Jordaanvallei. Bussen met toeristen dalen vanuit de heuvels ten oosten van Jeruzalem rechtsaf naar de Dode Zee en hoogst zelden naar links.

Route 90, die parallel loopt aan de rivier, de gesloten doopplaatsen en militaire zones, wordt alleen gebruikt door taxi's, een slinkend aantal bewoners van de vallei, militaire patrouilles en Israëlische vrachtwagens. Palestijns vracht- en personenvervoer is voorbij Jericho verboden, op een enkele taxi na.

Sinds enkele maanden mogen ook de Palestijnse groentetelers en -transporteurs de enige doorgaande weg niet meer gebruiken om hun aubergines, aardbeien, aardappelen en tomaten te verkopen aan afnemers in Israël. Tuinder Khalid Abu Irdi in Jiftlik heeft, sinds de Israëliërs in 1967 tijdens de Zesdaagse Oorlog de Westelijke Jordaanoever veroverden op de Jordaniërs, alle maatregelen kunnen weerstaan om hem, zijn familie, zijn buren en de semi-nomadische bedoeïenen uit het dal te verdrijven. De sloop van zijn aangebouwde wc - er mag alleen worden gebouwd in Israëlische nederzettingen - door nachtelijke patrouilles van het leger kan hij nog met een wrang lachje relativeren. Maar de huidige situatie drijft hem tot wanhoop.

“Het grote probleem is nu dat de Israëlische groentehandelaren niet meer bij ons mogen komen. Dat wordt onze ondergang. Ze willen ons verdrijven“, zegt Abu Irdi met een strak gezicht.

Het kafkaiaanse pasjessysteem, het verbod Route 90 (de “Ghandi Road') te mogen gebruiken, de afsluiting van de weg naar het twintig kilometer westelijk gelegen Nablus - hij en zijn broers, een smid en een oudijzerhandelaar, lieten zich niet wegjagen dankzij hun handel met Israël, hoe ironisch dat ook klinkt. Maar nu de inkopers van de groothandelaren uit Tel Aviv, Lod en Haifa noodgedwongen wegblijven, vraagt hij zich af hoe lang hij nog in zijn geboortedorp kan blijven.

“Alleen de producten van de Israëlische nederzettingen in de Jordaanvallei mogen via Agrexco nog naar Israël en Europa, en die zijn wel drie keer zo duur als wij. We kunnen ook niet meer naar de markten van Nablus en Jenin, want we krijgen geen permissie voor goederentransport“, legt hij uit.

Het alternatief is verhuizen naar een van de Palestijnse steden. “Transfer, transfer, dat is wat premier Olmert wil. We horen niets anders als we vragen waar we naar toe moeten.“

Het Ottomaanse Jiftlik, dat zich uit het Turks laat vertalen als “land van het gouvernement' is een aaneenschakeling van nylon kassen, bouwsels van hout, metaal en plastic, onaffe huizen van grijs beton die aan het zicht worden onttrokken door manshoge cactushagen, olijfbomen en acacia's.

Vruchtbaar land aan de rivier de Jordaan, hier niet meer dan een breed uitgevallen, vervuilde en onbereikbare beek. De Jordaanvallei beslaat ongeveer eenderde van de Westelijke Jordaanoever en wordt door Israël sinds de Israëlisch-Arabische oorlog van 1967 beschouwd als een strategische bufferzone. Ruim 500 vierkante kilometer is militair oefenterrein, waar ook de bedoeïenen met hun schapen en kamelen niet meer mogen, laat staan durven komen wegens de mijnen.

Het handelsverbod met de Palestijnse boeren en de bedoeïenen is de jongste maatregel om, vooruitlopend op de formele annexatie van de Jordaanvallei, het gebied zoveel mogelijk te zuiveren van de ongeveer 50.000 niet-Israëliërs, zeggen mensenrechtenorganisaties en politici in Jeruzalem. Israëliërs en joodse immigranten worden met premies, goedkope leningen en hypotheken aangemoedigd zich te vestigen in een van de zeventien nederzettingen. De animo is overigens niet groot.

Palestijnen die hier niet wonen, mogen ook niet meer in de vallei werken, familie bezoeken of een dagtochtje maken, ook niet naar Jordanië. Iedere nacht bezoeken Israëlische patrouilles dorpen als Jiftlik. Ze pakken “illegalen' op en sturen ze terug naar het afgegrendelde Nablus.

Sjeik Ghanzi Abu Ghaleih uit Jiftlik heeft zijn groentewinkels in Nablus moeten sluiten en rijdt nu twee maal per week naar zijn zaak in Abu Dis, sinds een jaar van Oost-Jeruzalem gescheiden door de muur. Via Route 90 een rit van een klein uur, maar de sjeik doet over de tachtig kilometer op zijn gunstigst een dag, en soms langer.

Hij moet omrijden via Jenin in het noorden en dan rondom Nablus naar Jeruzalem. Dagen en nachten brengt hij door bij de controleposten. En vaak logeert hij bij zijn neef, sjeik Khalil Abu Galieh, hoofd van de bedoeïenenstammen - de 15.000 hoofden tellende Jahalin en Ka'abneh-families - op de Westelijke Jordaanoever. Khalil is een man in bonus, die als gepensioneerde leraar een groothandel in schapen runt. Hij woont in een drie verdiepingen tellend huis met zijn vrouw, een struise dame met rode nagels en geëpileerde wenkbrauwen, en hun tien kinderen.

De meeste tijd brengt hij door met het oplossen van de problemen van zijn stam met de watervoorziening en de aanschaf van schapenvoer. Duizenden familieleden worden op het ogenblik gedwongen te verhuizen uit de heuvels naar het even verderop gelegen Arab Al-Jahalin, een bizarre mengeling van ruime bungalows, voorzien van grote satellietschotels, krotten van golfplaten en hout, en tenten van schapenwol. Arab-Al-Jahalin is het afgelopen jaar gegroeid van 893 tot bijna 4.000 inwoners. Op het hoogste punt in het dorp, waar wind en stof vrij spel hebben, wordt in een oogopslag de oorzaak van de problemen duidelijk.

Links ligt Maaleh Adumim, met 30.000 inwoners de grootste Israëlische nederzetting op de Westbank, en rechts het kleinere Kedar, waar begonnen is met de bouw van de scheidingsmuur. De gemeentegrenzen van Maaleh Adumim en Kedar omvatten een gebied zo groot als Tel Aviv; samen moeten zij een stad van 100.000 inwoners vormen, die weer wordt aangesloten op geannexeerd Oost-Jeruzalem.

Het gebied wordt afgegrendeld met de scheidingsmuur, waarvan de aanleg nu in hoog tempo wordt voortgezet, nadat de Hoge Raad deze week alle bezwaarschriften heeft verworpen. Beveiliging tegen terroristen is het belangrijkste argument, maar het gaat ook en vooral om intensivering van het stapsgewijze annexatiebeleid dat Israël al voert sinds het begin van de jaren '90 en dat de regering nu wil afronden, liefst met internationale toestemming.

“De bedoeïenen en de Palestijnen hier zitten in de val“, vertelt Khalil, ,,we kunnen niet terug naar de Naqab (de Negev) want we hebben geen Israëlische papieren. We mogen niet naar Jordanië en we mogen de Jordaanvallei en de zuidelijke heuvel bij Hebron niet meer in. Dit wordt een grote gevangenis.“

Herders mogen binnenkort niet meer in de buurt van Maaleh Adumim en de muur in aanbouw - tot militaire zone verklaard - komen. De tentdorpen in de heuvels worden afgebroken en het enige schooltje in de wadi tussen de nederzettingen op de heuvels, waar zes onbetaalde Palestijnse leerkrachten 130 leerlingen onderwijzen, zal worden afgebroken. In de verte ronken de grondverzetmachines, het metalen gekreun van de bouwkranen in de nederzettingen echoot over de zachtgroene heuvels, zelfs op feestdagen.

    • Oscar Garschagen