Een traan hangt aan haar wimpers

Twee en een half miljoen Fransen willen schrijver worden, volgens een onderzoek dat Le Figaro littéraire vorige week publiceerde. Maar liefst een op de tien jongeren in Frankrijk blijkt een kant en klaar manuscript in de la te hebben liggen of zelfs al naar een uitgever te hebben verstuurd. Natuurlijk ziet maar een fractie van de aspirant-schrijvers die droom uitkomen en het eerste boek in druk verschijnen. En daarvan zijn er maar enkelen die daadwerkelijk een leespubliek vinden.

Philippe Besson Foto Ambo Ambo

Een van die uiterst schaarse geluksvogels is Philippe Besson. Hij heeft inmiddels zes romans op zijn naam staan, waarvan de tweede, Zijn broer, met veel succes werd verfilmd door Patrice Chéreau. Besson wordt geprezen, gelauwerd en vertaald. Waarom? Wat heeft hij wat de andere tienduizenden niet hebben?

Gevoel voor drama, in de eerste plaats. Of het nu gaat over de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog zoals in Bij afwezigheid van mannen, of om een dodelijke ziekte als in Zijn broer, Besson heeft een talent voor smartelijke onderwerpen. Zo ook in de onlangs vertaalde roman Een onbewaakt ogenblik, die draait om een verdronken kind. De vader van het jongetje, die met hem uitvoer ondanks de stormwaarschuwingen, wordt veroordeeld wegens dood door schuld. Als deze Thomas na jaren gevangenisstraf terugkeert in zijn eigen stadje, aan de kust van Cornwall, wordt hij daar nog steeds gehaat door de weinig vergevingsgezinde bevolking. Hij vindt maar twee symphatisanten, aan wie hij vertelt hoe het werkelijk is gegaan op die stormachtige dag dat zijn zoon stierf. Ook Thomas' toehoorders zijn buitenstaanders (“ballingen') in het vijandige stadje, vandaar dat zij wél naar hem luisteren en geloven in zijn onschuld. Bij een van de twee hangt zelfs “een traan aan haar wimpers' terwijl ze luistert naar het relaas.

Dat zal de lezer niet snel gebeuren. Nergens krijgt het drama ook werkelijk tragische kracht. Besson moet dat aangevoeld hebben, want hij maakt zijn hoofdpersoon in de loop van het verhaal al zieliger. Thomas wordt uitgerust met een mank been, in de gevangenis blijkt hij epileptische aanvallen te hebben gehad en zichzelf tot drie keer toe de polsen te hebben doorgesneden, zodat zijn armen bezaaid zijn met littekens. En nog weet zijn lot ons niet te raken. Omgekeerd laat het je ook koud wanneer hij op het eind “gered' wordt door zijn grote liefde Luke, zijn celgenoot uit de gevangenis.

Deze zachtaardige Luke heeft alles wat de vrouwen in dit verhaal niet hebben. Zo betrouwbaar als hij is, zo onberekenbaar zijn de vrouwen. Zowel Thomas' ex-vrouw als zijn toehoorster Betty zijn een soort wijfjesdieren. Ze leiden vooral een instinctief bestaan: “Vrouwen voelen een dreigend gevaar veel beter aan dan mannen'. Vrouwen zijn volgens Besson duidelijk beter bestand tegen de wereld dan mannen, maar dat maakt ze niet per se symphatiek. Integendeel, ze zijn gevaarlijk, vooral waar het gaat om hun jong: “Ik heb geleerd dat ze in staat zijn alles op hun weg te vernietigen als je hen niet stopt. Je moet het hen ongetwijfeld vergeven, want ze weten niet wat ze doen'.

Voor verheffende denkbeelden hoef je Besson dus niet te lezen. Zou het dan de stijl zijn die hem onderscheidt van de honderdduizenden schrijvers wier romans nooit in de boekhandel terechtkomen?

Het gebrek aan doseringsvermogen op verhaalniveau, speelt Besson ook parten op stilistisch gebied. Neem de witregels waar de tekst mee doorspekt is, soms staan er wel vijf op één pagina. Net als de extreem korte zinnetjes waar Besson ook dol op is, dienen ze om de dramatische spanning op te voeren. Zoals waar Thomas voor het eerst in zijn stadje terugkeert: “Ik herken die geur van vochtigheid, de lucht van de windvlagen. Ik herken de kleumende, huiverende lichamen, de eeltige handen, de gesloten gezichten, de wantrouwige blikken. Alles is hetzelfde'. Dan, na een weinig subtiele witregel: “Maar ik, ik ben een vreemde'.

Net zo leeg is Bessons andere stijlmiddel: de herhaling. Vrijwel iedere zin wordt gevolgd door een komma, waarin dezelfde inhoud nog eens op een andere manier gezegd wordt. Zelden voegt het iets toe, het zijn geen nuanceringen maar synoniemen, zoals hier: “Je zou er niets aan hebben om ertegenin te gaan, om je ertegen te verzetten'. Het is alsof de schrijver er niet op vertrouwt dat de woorden hun werk doen, en hij ze steeds een steuntje in de rug moet geven. Een prima woord als “wrok' bijvoorbeeld wordt nog eens gevolgd door “opgekropte boosaardigheid'. Of neem de minnaar Luke die aankomt in het stadje: “Op het eindstation stapte hij uit. Hij wist dat hij niet verder zou gaan, dat hij er was, dat dit het einde van de reis was'.

De vorige vijf romans van Besson waren niet allemaal even goed, maar met Een onbewaakt ogenblik is het voorlopige dieptepunt bereikt. Zou er onder die twee en een half miljoen amateurschrijvers echt geen betere te vinden zijn?

Philippe Besson: Een onbewaakt ogenblik. Uit het Frans vertaald door Martine Woudt. Ambo, 182 blz. euro 16,95