Een slechte moeder

Sommige schrijvers vinden dat het leven aan hen voorbijgaat. Ze voelen zich afgesneden van de wereld en lijken alleen te bestaan tijdens het schrijfproces. Bijgevolg zijn ze ervan overtuigd dat ze zullen sterven wanneer ze ophouden met schrijven.

Hoewel ik dat laatste overdreven blijf vinden - het is niet meteen een waarheid om in een Darfours vluchtelingenkamp te verkondigen - klinken de overige beweringen mij steeds vertrouwder in de oren. Schrijfhonger en dagdagelijkse spontaniteit lijken elkaar uit te sluiten. Ik verpulver de normaliteit tot literatuur en help de werkelijkheid een handje als zij een verhaal probeert te worden. Nu en dan ga ik heldhaftig op zoek naar “eens wat anders' in de hoop dat het zich naderhand laat gebruiken.

Toen een bevriende dichter mij vroeg voor kapster te spelen op een hip literair festivalletje in Antwerpen, was het niet enkel in mijn hoedanigheid van haarfetisjist dat ik toestemde. Het is waar, ik houd van mensenhaar en het geluid van scharen. Geen beroepstak kan zo op mijn onvoorwaardelijke sympathie rekenen als kappers. Ik heb nog nooit een kapper ontmoet die echt niet aardig was of onaangenaam rook. Zelden identificeerde ik mij meer met een hoofdpersonage als met Antoine in Le Mari de la Coiffeuse van Patrice Leconte.

Maar desondanks had ik wel gehoopt dat zo'n namiddag knippen inspiratie zou opleveren of vanzelf in fictie zou overgaan. Dat laatste viel wat tegen. Ik kapte acht klanten: zes mannen en twee kinderen. Omdat ik voorzichtig bleef en niet dronk, gebeurden er geen rampen. Iedereen beweerde tevreden te zijn over het resultaat.

Typische kapsalonpraatjes bleven achterwege aangezien wij elkaar boven de muziek uit niet konden verstaan of de dichters op het podium niet wilden storen. De narratieve structuren lieten zich moeilijk terugvinden, de realiteit gedroeg zich bij deze ongebruikelijke omstandigheden gewoner dan anders. Op zichzelf heb ik daar geen problemen mee, maar al bij al voelde ik me toch wat bekocht. Misschien had ik iemand in het oor moeten knippen.

Onbekend haar door je vingers laten glijden, blijft overigens wel iets hebben. Ik drukte de bevriende dichter op het hart dat ik me had vermaakt. Hij dankte mij herhaaldelijk en vroeg of het klopte dat ik zwanger was. Ik legde hem uit dat die vraag mij de voorbije drie maanden minstens een keer per dag gesteld werd en dat wij dit misverstand te danken hadden aan een Vlaamse journalist. Die jongen beschikte helaas niet over het taalvermogen om een verschil te zien tussen “een literair zwangere ster' en “een zwangere literaire ster'.

Hij schreef dat laatste en toen was het hek van de dam. Later verontschuldigde hij zich: het lag niet aan zijn taalgevoel, het was de schuld van iemand anders die dat had gezegd. Hij vond het trouwens heel erg dat ik voor mijn dertigste verjaardag van iedereen babyspullen had gekregen. Ik heb van niemand babyspullen gekregen op mijn verjaardag. Terwijl ik behoedzaam woorden weeg en fictieradars afstel, vormen verveelde onbekenden mij om tot een personage in een misverstand dat gezapig verder groeit.

De bevriende dichter gaf toe dat iemand die mij een sigaret had zien opsteken, mij een slechte moeder had genoemd. Hij beloofde de waarheid zoveel mogelijk aan het licht te brengen. Ik haalde mijn schouders op tot het een zenuwtrek dreigde te worden. “Nothing is real. And nothing to get hung about', zong John Lennon toen ik mijn wagen startte.

De soundtrack was vrij goed gekozen die dag.

    • Annelies Verbeke