De profetencode

Wat heeft J.P. Guépin, filosoof, dichter, vertaler en auteur van het mega-essay De beschaving bewogen om een historische roman te schrijven over keizer Frederik II en diens secretaris Petrus de Vinea? We kunnen het de classicus niet meer vragen, hij overleed onlangs, kort voor zijn 75ste verjaardag. Maar het lijkt niet ver gezocht dat hij, die met zijn wetenschappelijke publicaties nooit een groot publiek wist te bereiken, zich heeft laten inspireren door het succes van Dan Brown.

Rond de zelfgekozen dood van Petrus de Vinea in 1249 bestaan nog altijd raadsels. Hij zou zijn keizer verraden hebben, maar waarmee? Guépin fabuleert een aannemelijke oplossing bij elkaar. In deel I van de roman speelt hij voor God (niet die van de christenen maar van de epicureeërs) en geeft hij de gymnasiaste Annet een rondleiding door de geschiedenis. Hij gaat tekeer tegen de monotheïstische godsdiensten en verzekert het meisje dat joden, Arabieren en ook de vroege christenen ooit “heel wat leuke godinnen' hadden. “Lees er Dan Brown maar op na'.

Guépin begint zijn roman met een bezoek aan de geestelijke Frans Vinck die al zijn boeken en handschriften wegdoet, op één geschrift na: De tribus impostoribus, het boek der drie bedriegers Mozes, Jezus en Mohammed. Dit blasfemische boek zou nooit hebben bestaan - zie onder andere de dissertatie van de historicus J. Presser uit 1926 over de ontmaskering van het omstreden werk - maar Vinck beschikt over het originele manuscript in het handschrift van Petrus de Vinea dat hij ooit uit het Vaticaan heeft gestolen.

Guépin krijgt het manuscript, maar kan het niet publiceren, omdat de diefstal dan zou uitkomen. Maar het strookt ook niet met zijn geweten om zoiets sensationeels aan de papierversnipperaar uit te leveren. Als tussenoplossing besluit hij er een roman van te maken.

De alwetende verteller die de memoires van Petrus de Vinea inleidt, voert met Annet discussies die soms woordelijk overeenkomen met passages uit De beschaving en ander werk van de atheïstische hedonist Guépin. Interessante dialogen zijn het over godsdienst, democratie, geschiedenis en de ondergang van het geslacht van de Staufers waaruit Frederik II stamde, maar niet erg geschikt als spannende opmaat tot een Dan Brown-achtige roman.

Die roman zit verborgen in deel II, de “Memoires van Petrus de Vinea, geschreven 1215-1248'. Na een rechtenstudie in Bologna werkt deze jongeman zich op tot kanselier van de keizer die de baanbrekende Constituties van Melfi samenstelde. Zijn in het Latijn gestelde correspondentie is in talrijke handschriften overgeleverd en zonder twijfel heeft Guépin hieruit geput.

In de zomer van 1243, als het werk aan de Grondwetten is voltooid, voert Petrus de Vinea vier vertrouwelijke gesprekken met Frederik. De keizer was ervan overtuigd dat de mensheid niet meer nodig had dan het Romeinse recht, aangevuld met zijn Constitutiones, om een vreedzaam leven te leiden in een goed geordende staat. De wetboeken van de joden, de christenen en de islamieten vond hij onzinnig, overbodig en schadelijk. Om dat te onderstrepen leest hij samen met zijn kanselier de verderfelijkste passages uit de bijbel en de koran voor. Dat levert grappige commentaren op over de xenofobe, vrouw- en homovijandige strekking van de twee heilige boeken. In het bijzonder de liegende geschiedschrijver Mozes, de alternatieve arts Jezus en de pedofiele roverhoofdman Mohammed moeten het ontgelden. Vijf jaar na deze gesprekken beschuldigt de keizer zijn vertrouweling van verraad, maar tot dusver wist niemand waarom. Guépin veronderstelt dat monniken de memoires van De Vinea hebben ontvreemd en aan de paus hebben overhandigd. Die had nu het bewijs dat Frederik de Antichrist was waarvoor hij hem toch al hield.

De roman die Guépin uit deze ingrediënten heeft gebrouwen, eindigt met het bezoek aan Frans Vinck. Hij heeft er vrede mee dat de belastende documenten zijn omgewerkt tot roman. “Heel goed, je bent romanschrijver geworden, een leugenaar: pseudos heet dat in het Grieks, wat bij ons fictie, verzonnen heet'. Waarop Guépin antwoordt: “Ik wist zelf na al die wetenschappelijke werken niet dat liegen zo leuk was.' Dit ingenieuze “gelieg' is inderdaad “leuk' te noemen, maar verwacht geen Dan Brown-story, daarvoor blijft Guépin toch teveel een geleerde. Zijn “drie bedriegers' is eerder een verzameling filosofische verhandelingen in moderne verpakking dan wat bij ons fictie heet.