Boorman en Laarmans, twee open brieven: Het ware lijmen is een goddelijke activiteit

Met het verschijnen van Nagelaten werk, vorige week, is het 11-delige Volledig werk van Willem Elsschot compleet. Bij die gelegenheid en vooruitlopend op Elsschots 125-jarige geboortedag, volgend jaar, vroeg het Willem Elsschot-genootschap aan de schrijvers Arnon Grunberg en Tom Lanoye zich met een open brief in te leven in de hoofdpersonen uit Lijmen/Het Been, Boorman respectievelijk Laarmans.

Mijn vriend Boorman,

De ware lezer identificeert zich niet met romanhelden, hij identificeert zich misschien wel met niemand, hij leest voor de pure schoonheid, hij zoekt het hogere. De roman moet vooral nergens goed voor zijn, want zaken als pure schoonheid en het hogere laten zich uiteraard niet in woorden vangen, en al het praktische - “je hebt er ook nog iets aan“ - is de liefhebber van de pure schoonheid een gruwel.

Nu houd ik inderdaad niet zo van romans waar je ook nog iets aan hebt, bijvoorbeeld omdat je zoveel te weten komt over de veeteelt aan het einde van de negentiende eeuw in Normandië. Als ik te weten wil komen hoe die veeteelt aan het eind van de negentiende eeuw in Normandië werkte, koop ik wel een boek dat er expliciet over gaat en zich verre houdt van de verbeelding.

Maar als het gaat om identificatie met romanpersonages ben ik minder sterk en minder streng in de leer. Ik zeg dit, anders dan een jaar of tien geleden, niet meer met trots en niet meer met een uithaal naar al die kerels die zich slechts met hun vader of hun automobiel wensen te identificeren. De nadelige kanten van de verbeelding heb ik inmiddels goed genoeg leren kennen om haar niet langer op handen te dragen.

In Elsschots Lijmen/Het Been kom ik een wereld tegen die ik nog nooit heb betreden en tegelijkertijd moet ik vaststellen dat hier een wereldbeeld wordt geschetst dat het mijne overlapt, zodat ik tijdens lezing voortdurend de neiging had te roepen: “Ja, zo is het“. En omdat dit in het openbaar niet goed mogelijk is, heb ik ter compensatie maar talloze potloodstreepjes in de kantlijn gezet.

Dit gevoel was zo sterk dat naarmate ik vorderde in het boek, ik steeds meer het gevoel kreeg dat ik eigenlijk Boorman was, en ook, op die plekken waar ik nog niet helemaal Boorman was, dat Boorman langzaam bezit van mij nam.

Boorman is een man met een bedrijf en met personeel. Veel meer heeft hij niet. Zijn vrouw krijgt pas een rol van betekenis in Boormans leven na haar dood. Van zijn vrouw beklijft vooral de spijt dat ze niet meer leeft. Maar toen ze nog leefde, deed ze er niet toe. Dit al is typisch Boorman. En wat typisch Boorman is, is typisch Grunberg.

Mijn eerst potloodstreepje staat in het tweede hoofdstuk van Lijmen, als Boorman tegen Laarmans zegt, de man die hij weldra als zijn enige personeelslid en beoogd opvolger zal inhuren: “Neen, Laarmans is onmogelijk, vooral in een land waar de klanten zelf eenvoudig Mosselmans, Biermans en Borremans heten. Je heet voortaan Texeira de Mattos; dat is nog eens een naam, vind je niet?“

De naam, hét bewijs voor onze unieke identiteit, wordt hier door Boorman ingeruild voor een betere naam, zoals een ander van onderbroek verwisselt. Identiteit is iets wat in dienst staat van de belangrijkste activiteit die een mens op deze aarde kan ontplooien: het lijmen.

Wat het lijmen is, wordt door Boorman nergens expliciet uitgelegd, hij laat het alleen zien. Elke definitie zou ook tekortschieten. Lijmen is meer dan inpakken, lijmen is zeker niet slijmen, lijmen is een ritueel, maar ook daarmee is niets gezegd. Lijmen is dat wat voorafgaat aan de betaling, aan de contante betaling bij voorkeur, maar wat schieten we daarmee op? Wat gaat niet allemaal aan contante betaling vooraf? Lijmen veroorzaakt intimiteit en nabijheid zonder dat de lijmer veel anders over zich loslaat dan dat hij lijmer is. Ik zou willen zeggen, het ware lijmen is een goddelijke activiteit, wie zich overgeeft aan het lijmen ontdekt het sublieme, en zal zich kortstondig verlost voelen van de zwaarte die aan dit aardse bestaan kleeft, zoals ook de gelijmde daar kortstondig los van komt.

Op het eerste gezicht is Lijmen/ Het Been een roman over de handel, maar voor mij gaat het over de liefde. En niet omdat Laarmans aan het eind van Het Been bekent dat hij van Boorman hield (“Nooit was het tot mij doorgedrongen dat ik van Boorman hield'), niet omdat de assistent-lijmer bekent dat de hoofd-lijmer zijn geestelijk vader is, maar omdat lijmen liefde is. Handel is liefde en liefde is handel, dat vermoeden had ik al eerder, maar bij Elsschot staat het er onontkoombaar, helder en overtuigend.

En zoals dat nu eenmaal gaat met liefde doet dan ook tamelijk snel de schuld zijn intrede. Want zonder schuld zou de wereld van Boorman niet compleet zijn geweest, en zou ik mij niet zo goed hebben kunnen herkennen in die wereld. De schuld waar Boorman vanaf wil, maar waar hij niet vanaf komt, die hij wil afkopen, maar die zich niet laat afkopen, en die hem uiteindelijk in het ziekenhuis doet belanden. Zoals de deurwaarder al voorspeld had: er komen psychiaters aan te pas.

Het geniale van Elsschot is dat Boorman niets leert van zijn schuld, op de laatste pagina's van Het Been is hij weer aan het zeulen met het Wereldtijdschrift. Hij kan alleen zijn schuld afkopen door voort te gaan met de activiteit die hem die schuld bezorgde, en steeds weer zal bezorgen.

Het lijmen verlost hem en het lijmen maakt hem schuldig.

Ik kniel voor Boorman, want wat ik in hem herkende deed mij even rillen.

Willem Elsschot, “Volledig werk', bezorgd door Peter de Bruijn, m.m.v. Wieneke 't Hoen en Lily Hunter, elf delen. Uitg. Athenaeun - Polak & Van Gennep, Amsterdam.