Bij af beginnen

De kunstenaars van Zero wilden in de jaren vijftig met hun optimisme de oorlog doen vergeten. Een halve eeuw later ziet hun werk er nog verbazingwekkend actueel uit.

De Japanse kunstenaar Sadamasa Motonaga spande lange strips van transparant plastic over het binnenhof van het Museum Kunst Palast in Düsseldorf. Daarin goot hij gekleurd water - rood, groen, blauw - zodat de strips in bogen naar beneden hangen. Een stevige aprilbries zet het kunstwerk in beweging, het kleurige water klotst alle kanten op. Binnen, in de hal van het museum, wiegt een reusachtige cilindervormige luchtballon, een kunstwerk van de Duitser Otto Piene, zachtjes heen en weer. Het is een feest voor het oog en voor sommigen ook een feest van de herkenning.

Het Museum Kunst Palast wijdt een grote tentoonstelling aan de internationale Zero-beweging uit de jaren vijftig en zestig. Meer dan 250 werken van 48 Europese en Japanse kunstenaars zijn in Düsseldorf bijeengebracht: schilderijen, plastieken, objecten, installaties en environments. Van enkele kunstenaars zijn grote groepen werken te zien, zoals van de drie Duitse Zero-kunstenaars Heinz Mack, Otto Piene en Günther Uecker, en van Yves Klein, Lucio Fontana, Enrico Castellani en de Japanner Kazuo Shiraga. Een aantal tijdelijke kunstwerken is voor de tentoonstelling gereconstrueerd. Zo maakte de inmiddels 84-jarige Motonaga zijn Waterwerk oorspronkelijk in 1956 voor een tentoonstelling in de open lucht van de Japanse Gutai-groep, in Ashiya (Japan).

Het is voor het eerst na lange tijd dat de Zerokunst op zo'n grote schaal wordt getoond. Hoe is het om deze “typische jaren zestig-kunst', zoals Zero de geschiedenis in is gegaan, weer terug te zien?

In de eerste plaats ziet de Zero-kunst er verbazingwekkend hedendaags uit. Museum Boijmans kocht onlangs een grote installatie van waterspiegelingen aan van de jonge kunstenaar Olafur Eliasson. In Düsseldorf zijn verschillende soortgelijke licht- en waterspiegelingen te zien, maar dan van meer dan veertig jaar terug. Hans Haacke bijvoorbeeld maakte bewegende kinetische en spiegelende waterobjecten - “kinetisch naturalisme' heette dit, een term die heel geschikt is voor het werk van Eliasson.

Betoverend is de Spazio Elastico (Elastieken Ruimte, 1964) van Gianni Colombo. Een pikzwarte kamer is gevuld met een driedimensionaal raster van lichtgevende lijnen waar je tussendoor kunt lopen. Het raster, banden van elastiek die aangelicht worden door blacklight, wordt langzaam uitgerekt en krimpt weer in, als een levende, ademende architectuur.

Nulgroep

Het programma van Zero was in zekere zin eenvoudig: de mensen ertoe te verleiden te kijken en zich te verwonderen over de wereld. Zoals Armando ooit zei, over de tijd waarin hij samen met Jan Henderikse, Henk Peeters en Jan Schoonhoven, de Nederlandse Nulgroep vormde: “Alles was mooi. Eén groot oog, zo voelde ik me.“

Dit is het tweede dat frappeert bij het weerzien: deze kunst was écht “zero'. Het nieuwe en bevrijdende, de overtuiging dat het mogelijk was om bij af te beginnen en een betere wereld te creëren is aan deze kunst te proeven, te ruiken. De Zero-kunstenaars hebben, al was het dan maar voor een korte periode, waargemaakt wat ze wilden, namelijk een optimistische kunst maken die de uitdrukking zou zijn van een onbevangen kijk op de wereld. Natuurlijk was dit, achteraf bezien, als streven ongelofelijk naïef. Dat vinden de Zero-kunstenaars nu zelf ook. Maar het is jaloersmakend dat ze er even in hebben kunnen geloven.

De naam Zero, oorspronkelijk de naam van de Duitse groep (hun eerste tentoonstelling was in 1955) maar al snel gebruikt om er de hele beweging mee aan te duiden, verwijst naar het aftellen, de countdown, bij het afschieten van een raket. Zero betekent een stilte, een “onmeetbare zone waar een oude toestand in een onbekende, nieuwe toestand overgaat', zoals Piene het formuleerde. Zero is een fase van het “kalm en opnieuw gevoelig worden'.

Voor zowel de Europese als de Japanse kunstenaars was Zero een reactie op de Tweede Wereldoorlog, ontstaan uit een revolutiestemming na de bevrijding van het fascistische regime. Hierin was Zero veel radicaler dan die andere naoorlogse beweging, de schilderkunst van Cobra. Zero wilde de kunst ontdoen van traditionele conventies. Kunst moest een uitdrukking zijn van de moderne werkelijkheid. Daarom kozen de Zeroïsten industrieel vervaardigde, niet-kunstige materialen als aluminium, plastic, elektriciteit, of goedkope materialen die eenvoudig voorhanden waren. Uecker vervaardigde zijn objecten met spijkers (nog steeds trouwens) omdat de spijker, volgens hem, “de reële voortzetting is van de lijn'.

Illusionistische verbeeldingen van de werkelijkheid, verf en doek, voldeden niet langer. Zero-kunstenaars wilden lucht, licht, vuur en water niet langer afbeelden, maar letterlijk met deze energie werken. Daarom maakte Piene “rookschilderijen' en wilde Mack een muur van spiegels, vijf meter hoog en meer dan honderd meter lang, in de Sahara plaatsen. De weerkaatsing van het zonlicht zou een overweldigende fontein van vibrerend licht veroorzaken. Macks Saharaproject is nooit gerealiseerd. In Düsseldorf is een aantal van zijn spiegelzuilen in een hoop zand geplaatst om de Sahara-situatie te simuleren.

In Japan was de naam Zero al aan het begin van de jaren vijftig bedacht, vijf jaar eerder dan in Duitsland. De groep Zero-kai, die vond dat de kunst zich “vanuit het punt van de absolute leegte moest ontvouwen' verenigde zich in 1955 met de Gutai-groep, die vergelijkbare ideeën had. Zero had hier natuurlijk ook de connotatie van een Zen-boeddhistisch niets, maar het merendeel van de kunstenaars hield zich niet met Zen bezig.

Net als hun Europese kompanen enkele jaren later wilde Gutai zich bevrijden van de conventies van de schilderkunst. En net als Zero werkte Gutai met water, rook, licht en lucht. Shiraga schilderde met zijn voeten, hangend aan een touw boven het doek: een vroeg voorbeeld van action painting. Ook veranderde hij zijn lichaam in een penseel door in een hoop modder te duiken en over linnen te rollen. Saburo Murakami sprong in 1955 door met papier bespannen spieramen heen en bewerkstelligde zo de doorbraak naar de leegte - verwant aan de beroemde messneden van Lucio Fontana.

Prachtig is een werk van Atsuko Tanaka, getiteld Elektrische jurk (1956). De jurk bestaat uit een enorme hoop gekleurde lampen en neonbuizen met mouwen en een capuchon, de bedrading als een sluier hangend over de vloer.

De bekendste Japanse kunstenaar - zij sloot zich overigens niet aan bij Gutai - is Yayoi Kusama. Kusama is werkelijk een visionair kunstenaar. In Düsseldorf wordt haar Roeiboot met fallische groeisels, een bruikleen van het Stedelijk in Amsterdam, voor het eerst getoond zoals het moet: in een ruimte die behangen is met zwart-witte fotokopieën van de boot. Net als Andy Warhol, maar iets eerder, richtte Kusama haar tentoonstellingen in als een totaalkunstwerk. Ze maakt spiegellabyrinten en installaties met fallus- en stippeldecoraties waar zij tijdens openingceremonies zelf als toverfee, met puntmuts en staf, over waakt. Haar werk heeft niets aan zeggingskracht ingeboet, zoals enkele jaren geleden bleek toen zij Japan vertegenwoordigde op de Biënnale van Venetië.

Leegte

Yves Klein, een van de grondleggers van de Duitse Zero, verbleef in 1952 in Tokio waar hij judo leerde, en was op de hoogte van de Japanse Zerokunst. Hij hield dit lange tijd geheim. Klein claimde dat “de leegte', die hij exposeerde in een Parijse galerie, zijn uitvinding was, evenals het gebruik van lichamen als “levende penselen': naakte vrouwen werden ingesmeerd met Yves Kleins blauwe verf en maakten onder zijn regie afdrukken van hun lichaam op het doek. Klein stelde zelfs, in 1961, dat Gutai-leden de methode van hém hadden afgekeken.

Zodoende duurde het tot 1965 (Klein was inmiddels overleden) dat Gutai, Zero en Nul in één expositie werden samengebracht, op de Nul-tentoonstelling in het Stedelijk Museum, georganiseerd door Henk Peeters. Dit grootse evenement markeert tevens het einde van de Zero-beweging. Er was een richtingenstrijd ontstaan, zowel binnen Zero als Nul, sommigen wilden liever alleen verder, en de Gutai-groep was inmiddels weer gaan schilderen op een informele manier (verwant aan het werk van Michel Tapié), een ontwikkeling die door de Europese Zero als regressief werd beschouwd. Er was groeiende ergernis, ook bij zijn eigen Zero-broeders, over het romantische idealisme van Piene.

Toch is het juist dit idealisme dat gestalte krijgt in Düsseldorf. Zero zou “de wereld een beetje mooier en beter maken' (Piene), en dat is wat hier is te zien.

“Zero, internationale kunst-avant-garde in de jaren vijftig/zestig' is tot 9 juli te zien in Museum Kunst Palast, Ehrenhof 4-5, Düsseldorf. Open: di-zo 11-18 uur.