Altijd een zotte draai

Sylvia de Leur, die gisteren op 72-jarige leeftijd is overleden, speelde haar mooiste rol pas in het najaar van 1997 - in haar solovoorstelling Geluk? Wieso Glück? waarin ze zichzelf als “een klein bang vogeltje“ liet zien tegenover een egocentrische, bijna groteske moeder die haar dochter de schuld gaf van haar mislukte leven. In die voorstelling vond de cabaretière, die dertig jaar lang garant had gestaan voor het komische werk, eindelijk ook ruimte voor de tragische kant die ze al die tijd in zich had meegedragen.

Sylvia de Leur was de dochter van een Nederlandse violist en een Poolse danseres, die elkaar begin jaren dertig in Breslau hadden ontmoet. Al vanaf haar vijfde trad ze met haar ouders op in het variété-circuit in Polen en Tsjechoslowakije, als vertederend danseresje en lenig acrobate. In de chaos die vlak na de oorlog in Midden-Europa ontstond, behoorde zelfs het Rode Leger tot haar publiek. Maar toen in 1948 het ijzeren gordijn werd neergelaten, zag het gezin zich gedwongen naar Nederland uit te wijken. Zo kwam Sylvia de Leur op haar zeventiende terecht in een land waarvan ze nauwelijks de taal sprak. Als ietwat mollig slangenmeisje werkte ze nog even bij een orkestje van haar vader in een nachtclub aan het Leidseplein in Amsterdam, maar daarna leek een theatercarrière buiten haar bereik te liggen. Manmoedig werkte ze twee jaar lang als gediplomeerd schoonheidsspecialiste, maar haar heimwee naar het theater bleef.

Na privé-lessen Nederlands, zang, dans en toneel wist ze in 1956 een engagement te krijgen in een showtje van de Amsterdamse nachtclubeigenaar Kees Manders. Twee jaar later belandde ze in het revuegezelschapje van Berry Kievits en Gerard Walden. Met haar klein-maar-dapper-uitstraling en haar laconieke voordracht kreeg ze al snel de lachers op haar hand. En in 1962 maakte ze haar entree bij het cabaret Lurelei, naast de pas ontdekte Jasperina de Jong. Onder de veeleisende regie van leider Eric Herfst en tekstschrijver Guus Vleugel verfijnde Sylvia de Leur haar komische talent. Later ging ze er prat op dat zij destijds, in een scène over Ik Jan Cremer, de eerste was geweest die op het toneel het woord “neuken' had uitgesproken.

In de loop der jaren speelde Sylvia de Leur, naar eigen zeggen meestal als “komisch dikkerdje“, in tientallen radio- en tv-programma's (de kinderserie Pommetje Horlepiep en comedy-series als Rust noch duur en Mijn tante Victoria), theatershows, de kleine musical Hé, kijk mij nou, blijspelen en een paar films (waaronder een mooie bijrol als Haar van Boven in Wat zien ik?, de eerste bioscoopfilm van Paul Verhoeven).

Ook aan middelmatig tekstmateriaal kon ze altijd nog wel een zotte draai geven. Maar nadat haar twaalfjarige zoon in 1975 onder haar ogen verongelukte door een aanrijding met een cementwagen van de gemeente, kreeg ze steeds vaker te kampen met zware depressies. “Werken was weg-werken, dingen op een afstand houden“, zei ze in deze krant.

Voordat ze negen jaar geleden de solo speelde over haar overheersende moeder, was ze al geruime tijd buiten beeld gebleven. En een echte comeback is die voorstelling helaas niet meer geworden. Sylvia de Leur werd daarna getroffen door de spierziekte ASL, die gisteren een eind heeft gemaakt aan haar veelbewogen vechtersleven.