Humor

Ik weet niet of zijn uitgever er blij mee is, maar met zijn nieuwste boek, Mijn plezierbrevier, is Kees van Kooten zijn tijd met precies één jaar vooruit. Dit boek is een soort humorbijbel, een bloemlezing van humoristische verhalen, knap vertaald door Van Kooten zelf, uit vooral de Angelsaksische literatuur. En wat wordt het thema van onze volgende boekenweek? Jazeker: humor, onder het motto 'Lof der Zotheid - Scherts, Satire en Ironie'.

Onlangs zag ik in de Kleine Komedie een presentatie door Van Kooten van zijn boek. Een leuke avond waar veel te lachen viel om teksten die slechts weinigen gekend zullen hebben. Een betere voorlezer dan Van Kooten kan dit type teksten zich niet wensen. Hij vertelde dat hij met zijn boek vooral een monument heeft willen oprichten voor al die ooit befaamde, maar nu bijna allemaal vergeten, humoristische schrijvers.

Inmiddels heb ik Mijn plezierbrevier uitgelezen. Bij de titels van de 45 stukken uit de inhoudsopgave heb ik elke keer braaf één kruisje ('minder goed tot zwak') of twee kruisjes ('goed tot uitstekend') gezet. Het eindresultaat verbaasde me zelf: slechts zeventien stukken hadden twee kruisjes gekregen. Dat stemde niet overeen met het succes van de voorleesavond. Hoe kwam dat?

Natuurlijk, je mist als lezer de stem van de voorlezer, die je net in het theater hebt gehoord. Maar dat kan niet de enige oorzaak zijn. Van Kooten houdt, zoals hij het zelf altijd noemt, van 'natuurleuke' humor, in Amerika 'Little Man-Humour' genoemd: 'Verhalen over tekortschietende mannen die het slachtoffer waren van de wereld in het algemeen, van vrouwen in het bijzonder en vooral van knagende twijfel aangaande de zin van hun eigen absurde bestaan.'

Mijn plezierbrevier bevat daarvan sterke voorbeelden, vooral van de ware grootmeesters in het genre, de Amerikaan Robert Benchley en, de beste van allemaal, de Canadees Stephen Leacock. Zij weten maat te houden, het is geen toeval dat juist hun verhaaltjes kort en bondig zijn. Maar helaas heeft Van Kooten ook nogal wat Engelsen opgenomen en die kunnen er vaak geen genoeg van krijgen: vondsten worden tot vervelens toe herhaald en opgerekt. Thackeray, Ade, Morton, Bashford - ik kon er maar moeilijk doorheen komen.

Maar het is, zoals met alles, ook een kwestie van smaak. Die 'natuurleuke' humor heeft iets vrijblijvends en onschadelijks, ik houd meer van 'wrangleuke' humor, de humor die schrijnt en verontrust. Daarom miste ik schrijvers als Dorothy Parker, Evelyn Waugh en Tom Wolfe in deze bundel. Ik moest ook vaak denken aan Simon Carmiggelt, die zich van 'natuurleuk' naar 'wrangleuk' ontwikkelde.

Toch zijn er gelukkig ook bij Van Kooten twee 'wrangleuke' stukken doorgeglipt, voor mij uiteraard de beste van de bundel: 'De zondag van de dronkaard' door Garrison Keillor en 'De tweede boom vanaf de hoek' door E.B. White. Keillor geeft ons een navrant kijkje in het brein van een alcoholist die eindelijk zijn leven wil beteren. White draait de rollen om in het contact tussen patiënt en psychiater en laat de patiënt brutaal vragen: 'Weet ú dan wat ú wilt?'

'Ik wil een vleugel laten bouwen aan mijn huisje in Westport', moet de psychiater uiteindelijk bekennen.