Europa omarmt een oude liefde: subsidiariteit

Na het Franse en Nederlandse 'nee' tegen de Europese Grondwet laste Europa een denkpauze in. Hoe nu verder? Een oud antwoord, subsidiariteit, wint terrein.

Schijn bedriegt. Europa leeft! De in Frankrijk en Nederland gestrande Europese Grondwet mag Europa in een crisis hebben gestort, het is een 'heilzame crisis', daarvan is bondskanselier Wolfgang Schüssel van het nimmer euro-enthousiaste Oostenrijk overtuigd.

Schüssel is nog geen vier maanden voorzitter van de Europese Unie. Maar in die korte tijd zegt hij haarscherp te hebben waargenomen, dat er zich 'een nieuw Europees bewustzijn' aan het ontwikkelen is. 'Langzaam maar zeker beginnen we te beseffen dat we in Europa met z'n allen in hetzelfde schuitje zitten.' En dat besef is, zegt Schüssel, een vruchtbaar uitgangspunt voor hervorming van het Europese bestuur.

De Oostenrijkse kanselier was de afgelopen twee dagen gastheer van de conferentie 'Europa begint thuis'. Centraal thema: subsidiariteit, een onderwerp dat sinds het Franse en het Nederlandse 'nee' tegen de Europese Grondwet een groeiende populariteit geniet. Den Haag (november) en Berlijn (januari) gingen Sankt Pölten met symposia voor. Dit keer kwamen er bijna vierhonderd Europese, nationale en regionale politici alsmede wetenschappers op af.

'Als je de burgers in Europa vraagt wat ze van de Europese Unie verwachten, dan krijgt je één antwoord beslist niet. En dat is: subsidiariteit', grapte de Duitse regionale parlementariër Werner Jostmeier. Toch is dat precies het middel waarmee politici en bestuurders de kloof tussen Europa en de burgers willen overbruggen.

Andreas Khol, voorzitter van het Oostenrijkse parlement, gaf een voorbeeld. Hij zei dat er plannen zijn om de jachtwetgeving in de EU-landen te harmoniseren. 'Waar bemoeit Europa zich mee? Jachtwetgeving weerspiegelt bij uitstek de nationale traditie en identiteit. Met het wapen van subsidiariteit kunnen we Europese bemoeienis tegenhouden.'

Behalve kankeren op Brussel mogen politici de hand ook wel eens in eigen boezem steken, vond minister-president Edmund Stoiber van de Duitse deelstaat Beieren. Er komt immers geen Europese regel tot stand zonder instemming van de regeringen van de lidstaten die op hun beurt onder controle staan, of horen te staan, van de nationale parlementen.

De paradox is dat de positie van de nationale parlementen in het Europese bestuur juist door de Europese Grondwet zou zijn versterkt. Nu die - voorlopig? - van de baan is, zijn diezelfde instellingen naarstig op zoek naar andere manieren om hun zeggenschap over Europa te vergroten.

'Hoe je het ook wendt of keert, het is in de allereerste plaats hun zaak om te bewaken wat de Europese Unie doet of gaat doen', zei voorzitter Paavo Lipponen van het Finse parlement. Daarom is het nationale parlement volgens hem de aangewezen arena voor het politieke debat over Europa.

Christian Calliess, hoogleraar Europees recht aan de universiteit van Göttingen presenteerde al een schema dat politici en bestuurders daarbij kan helpen. Het is een soort drietrapsraket: 1. is Europa bevoegd?, 2. is Europa het meest geschikt?, en zo ja, 3. hoe moet Europa het dan regelen? In alle drie stadia is alertheid van de nationale en regionale politici geboden en moet hun betrokkenheid zijn gewaarborgd, aldus Calliess. Zo breng je subsidiariteit in praktijk.

Hoe wenselijk zo'n aanpak ook is, hij is geen wondermiddel om het publieke vertrouwen in Europa te herstellen, waarschuwde de Sloveense minister van Buitenlandse Zaken, Dimitrij Rupel. Je kunt er 'kleine kwalen' mee te lijf, zei hij, maar niet de 'grote Europese vraagstukken'. Daar helpen alleen meer banen, meer groei en sociale hervorming, aldus Rupel.

Lord Julian Grenfell, lid van het Britse Hogerhuis, wees op een ander risico. Pas op, zei hij, dat onder het mom van subsidiariteit geen verkapte renationalisatie plaatsvindt. Zoals bij het vrije verkeer van goederen en diensten, waar protectionisme een verleidelijke valkuil vormt.

Maar hoop voerde de boventoon. 'Subsidiariteit zet geen rem op Europese samenwerking, maar is een noodzakelijke voorwaarde voor betere integratie', zei de Franse senator Hubert Haenel. Net als veel andere sprekers zag hij er een 'geschikt bindmiddel' in om Europa nieuw leven in te blazen, dit keer van onderop. De Nederlandse staatssecretaris Atzo Nicolaï (Europese Zaken) viel hem bij. 'Subsidiariteit is de sleutel die de deur naar Europa kan openen'.

Nicolaï deed twee concrete suggesties voor verbetering op Europees niveau: nieuwe afspraken tussen de centrale instellingen (Europese Commissie, Europees Parlement en Raad van Ministers) over de rol van nationale parlementen in de Europese besluitvorming, en een extra 'ontvankelijkheidsdebat' tussen EU-ministers over nut en noodzaak van Commissieplannen.

Daarmee lag de bal weer bij bondskanselier Schüssel. Als EU-voorzitter moet hij de Europese top van juni voorstellen doen om uit de crisis te komen. 'De winst van de huidige bezinningsfase is dat er in brede kring een nieuwe sensibiliteit groeit voor Europa', concludeerde hij. Daar kon Nicolaï zich wel in vinden. Maar hij vond ook dat er langzamerhand genoeg mooie woorden zijn gesproken. 'We moeten nu echt aan de slag.'