Bush zal Iran niet zijn Waterloo laten worden

Nu de veelal negatieve gevolgen van de oorlogin Irak voor iedereen duidelijk zijn, is er aaneen oorlog met Iran niets onvermijdelijks, betoogt Ivo Daalder.

In Washington en de rest van de wereld lijkt de overeenstemming te groeien dat een oorlog met Iran nog maar een kwestie van tijd is. Maar is die overeenstemming terecht?

Er zijn goede redenen om aan te nemen dat de regering-Bush er weliswaar van overtuigd is dat een Iran dat kernwapens kan maken een grote bedreiging voor de internationale veiligheid vormt, maar dat ze toch zal besluiten dat militair geweld geen wenselijk antwoord is. Niet omdat de dreiging het gebruik van militair geweld niet zou rechtvaardigen, maar omdat de militaire, politieke en internationale context tegen zo'n besluit pleit.

De Iraanse atoomdreiging is ongetwijfeld reëler dan de Iraakse in 2003. Terwijl het 'bewijs' voor een Iraaks atoomprogramma steunde op omstreden informatie over de koop van uraniumoxide in Niger en de aanschaf van aluminiumbuizen, is Teheran vrij open over zijn wens om uranium te kunnen verrijken (de meest kritieke stap voor het maken van een bom).

Omdat president Bush in 2003 besloot op grond van mager bewijs voor een Iraaks atoomprogramma een oorlog te beginnen, concluderen velen dat hij dat dan zeker zal doen op grond van het veel concretere bewijs voor een Iraans programma.

Maar deze conclusie berust op een verkeerde interpretatie van de gebeurtenissen in de jaren 2002 en 2003. Wat toen een oorlog mogelijk maakte, was niet de dreiging die Irak zogenaamd vormde (nucleair of anderszins), maar de context waarin Bush zijn besluit tot een oorlog nam. En bij beslissingen over oorlog en vrede is de context niet onbelangrijk.

Destijds was Amerika nog in de ban van 11 september 2001. Daardoor klonken de argumenten over de noodzaak om mogelijke nieuwe dreigingen door militair ingrijpen te voorkomen luider en overtuigender dan nu, bijna vijf jaar nadat verkeersvliegtuigen door terroristen in massavernietigingswapens werden veranderd.

Ook had Amerika toen net een ogenschijnlijk eenvoudige militaire zege in Afghanistan geboekt, waardoor tal van commentatoren en burgers op Defensie eenzelfde gemakkelijke overwinning in Irak verwachtten. Misschien denken sommigen nog steeds wel dat het eenvoudig zal blijken om Iran te bombarderen, maar de regering weet ongetwijfeld dat een succesvolle verhindering van het Iraanse atoomprogramma het soort inlichtingen over doelwitten vergt dat we niet hebben. Verder is in Irak gebleken dat het waanzin is om te verwachten dat daarna alles gesmeerd zal verlopen. Iran kan op allerlei manieren wraak nemen, bijvoorbeeld door het leven in Irak en Afghanistan steeds onaangenamer te maken of in de Golf en de Straat van Hormuz olieschepen aan te vallen, of door terreuraanslagen te plegen op Amerikaanse troepen, Amerikaanse belangen en zelfs op Amerikanen in hun eigen land. Een aanval op het Iraanse atoomprogramma zou evenmin een sinecure zijn als de bevrijding van Irak.

Ook politiek is de huidige context van een oorlog heel anders dan in 2002, 2003. Toen stond de president nog hoog in de peilingen en zag het Amerikaanse volk hem als een betrouwbare, bekwame en sterke leider. Nu is de steun voor Bush afgekalfd en hebben de Amerikanen het geloof in zijn eerlijkheid, bekwaamheid en leiderschap verloren. In een recente peiling bleek 54 procent van de Amerikanen er niet op te vertrouwen dat Bush inzake Iran de juiste beslissing zou nemen. En gelet op de bewegingen in de publieke opinie kunnen deze cijfers in de loop der tijd alleen maar erger worden. Van even groot belang is dat er drie jaar geleden weinig politieke discussie was over de vraag of een oorlog wel verstandig was. De Democraten in Senaat en Huis van Afgevaardigden sloten zich in groten getale aan bij de Republikeinen en gaven Bush een blanco cheque - en een beduidende meerderheid van de Amerikanen was voor een oorlog. Nu leidt een mogelijke aanval op Iran tot een felle, en terechte, discussie en zou het ondenkbaar zijn dat Bush daarvoor de steun van het Congres zou krijgen zolang niet een veel ernstiger en directer dreiging van Iran uitgaat.

Dan is er nog de internationale context. Ook destijds rees weliswaar al twijfel over de richting van het Amerikaanse buitenlands beleid en groeide het verzet tegen een oorlog met Irak, maar toch kon Bush toen nog rekenen op de steun van allerlei belangrijke spelers. In 2002 omvatte dit de unanieme aanvaarding van een resolutie door de VN-Veiligheidsraad die stelde dat Bagdad handelde in strijd met eerdere VN-resoluties en waarschuwde voor ernstige gevolgen als Irak zou verzuimen volledig mee te werken. Hierdoor kon in 2003 belangrijke militaire steun worden verworven van Groot-Brittannië, Australië en een paar andere voorname bondgenoten - en politieke steun van nog meer landen. Nu heeft zelfs Tony Blair duidelijk gemaakt dat Bush er alleen voorstaat als hij Iran zou aanvallen.

Dit alles garandeert niet dat Bush Iran niet zal aanvallen - goede argumenten, enorme potentiële kosten en gebrek aan politieke en internationale steun hebben in zijn afwegingen nooit een beslissende rol gespeeld. Maar nu de menselijke, economische, politieke en diplomatieke gevolgen van de oorlog met Irak voor iedereen zo zonneklaar zijn, is er aan een oorlog met Iran niets onvermijdelijks. Integendeel, er is een gerede - zelfs een goede - kans dat Bush deze keer de juiste beslissing zal nemen.

Ivo Daalder is verbonden aan het Brookings Instituut in Washington.