Ongeneeslijk verliefd

Ton van der Worp is zeventig en Miny was een paar maanden ouder dan hij, ze was zeventig toen ze stierf, op 26 februari 2005. Op de rouwkaart stond: 'Een blij hart bevordert de genezing, neerslachtigheid verdort het gebeente.' Dat is Spreuken 17:22.

A. van der Worp (Enschede, 24 augustus 1935) woont in Baarn. Nederland, Baarn, 12-04-2006 Ton van der Worp PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Hij ontdekte haar toen ze twaalf was, in de eerste klas van de christelijke mulo in Enschede. 'Zij kwamen uit Oldenzaal. Ze waren verhuisd omdat haar vader bang was dat ze met een katholieke jongen zou thuiskomen. Blonde vlechtjes, prachtig. Ik was meteen verkikkerd op haar.'

'Heeft ze jou toen ook opgemerkt?'

'Vast wel. Ik had rood haar, ik droeg een brilletje, ik was een eigenwijs knaapje.'

Toen hij na dat jaar van die school werd gehaald om naar het gymnasium te gaan, zag hij haar altijd nog in de kerk. Ze waren vrijgemaakt gereformeerd. 'De vlechtjes waren inmiddels verdwenen, maar ze werd steeds mooier, dat begrijp je.'

Op haar achttiende werd ze leidster van de meisjesvereniging. Hij wist dat zij ergens beneden was, terwijl hij boven op het orgel zat te oefenen. 'De Pastorale van Bach. Het is nooit wat geworden, dat orgel, voor mij, maar ik speelde natuurlijk voor háár. Toen hoorde ik in het donker de trap kraken.'

Zou zij het zijn? Zij was het!

'Toen', zegt hij, 'stond ze achter mij. Dat was een pure verrukking. We waren ongeneeslijk verliefd, en dat is altijd zo gebleven.'

Zijn studie theologie in Kampen strandde op het beton van de gehanteerde geloofsartikelen. Hij ging MO Nederlands doen bij de LOI en Miny las de boeken van de lijst. Ze maakte uittreksels voor hem en ze bespraken haar bevindingen tijdens eindeloze wandelingen op zondag. Net toen deze opleiding zou worden bekroond met een baan in Doetinchem, raakte hij bij een verkeersongeval zo ernstig gewond aan zijn kaak, dat hij een jaar uit de roulatie was. Miny zei: 'We redden ons wel, het komt wel goed.'

Hij kon, vanuit het niets eigenlijk, beginnen bij Bosch & Keuning. Het eerste wat hij te doen kreeg: de redactie van Sesam Wereldgeschiedenis, één deeltje per maand, achttien maanden lang. Dat was in het begin van de jaren zestig, en aan het eind daarvan was hij directeur van Ten Have, een uitgeverij op het terrein van nieuwe ontwikkelingen in de theologie.

Getrouwd in '61, kinderen in '60, '64 en '69, twee meisjes, een jongen. 'Wij waren heel goed met elkaar', zegt hij. 'Wij hadden heel verschillende karakters. Zij was erg zorgzaam en lief, en gastvrij. Zij was een stérke vrouw, recht toe recht aan, terwijl ik de neiging heb om omwegen te maken.'

'Wij konden', zegt hij, 'elkaar in onze waarde laten omdat we ieder onze eigen portefeuille hadden.'

Zij had een uitgesproken, dure smaak - voor zichzelf ('ze zag er altijd mooi uit') én voor hem ('als ik een nieuwe broek nodig had, gaf zij het sein'). Zij organiseerde onvergetelijke tuinfeesten voor vrienden en relaties. Zij regelde de vakanties. Zij deed de financiën - hij wist dikwijls niet eens wat hij verdiende. Elke vrijdagavond nam zij met grote belangstelling de weekcijfers van de uitgeverij door. Zij deed ook de belastingen, een jaar voor haar dood was ze nog op elektronische aangifte overgegaan ('dus daar heb ik nu een accountant voor').

'Je zei', zeg ik, 'dat jullie ieder je eigen portefeuille hadden. Wat was de jouwe?'

'Ja, mijn wérk, eigenlijk.'

'Je werd niet door haar overvleugeld?'

'Nee, nee', zegt hij. 'We waren aan elkaar gewaagd; zij verweet míj wel eens dat ik zo aanwezig was.'

Dit huis - hij was in Londen. Dit huis heeft zij gekocht. De hele huiskamer - háár schepping. Dus daar, in die kamer, voelt hij zich nu het eenzaamst. Het liefst zit hij in zijn 'hok', het inderdaad nogal bescheiden werkvertrek, waar hij in feite altijd gezeten heeft.

In de zomer van 1988 waren ze in München. Ze hadden de Kandinskytentoonstelling bezocht en liepen terug naar hun hotel. Opeens bleef ze staan: ze kon geen stap meer verzetten. Van die verschijnselen waren er al eerder geweest. Huidproblemen, evenwichtsstoornissen. Aankondigingen van Parkinson. Eigenlijk is ze twintig jaar lang ziek geweest.

In 1995, op zijn zestigste, moest hij zijn werk opgeven, zeer tot zijn spijt, hij hield van dat werk en zou het nóg willen doen. Maar hij kon met de VUT, hij moest met de VUT.

'Langzaam', zegt hij, 'veranderde ik van haar minnaar - want dat waren we: minnaars - in haar verzorger. Dat was verschrikkelijk, voor haar, voor mij, voor beiden.'

De aftakeling, de ontluistering, de strijd om het behoud van ieder restje waardigheid. Háár gezicht met dat Parkinson-masker.

'Dit', zegt hij, 'zijn de laatste foto's van vóór haar ziekte. Als ik die zie... daar zou ik zo weer verliefd op worden.'

De hallucinaties. Haal die vogels eens uit de gordijnen. Wie heeft die linten om mijn voeten gedaan? Je hebt ons huis verkocht! En als je ons huis niet hebt verkocht, hoe komt het dan dat ik niet in mijn eigen bed lig?

'Drie weken voor het einde', zegt hij, 'hebben we haar uiteindelijk naar een verpleegtehuis in Lage Vuursche moeten brengen. Die rit in de ziekenwagen, vreselijk, dat was nog erger dan de begrafenis zelf.'

'Al dat lijden', vraag ik. 'Is het ergens goed voor?'

'Waar zou dat goed voor kunnen zijn?'

'Leer je er wat van?'

'Nee', zegt hij, 'het dient nergens toe.'

Dan de opluchting dat het voorbij is. Dan momenten van zelfmedelijden, waarvoor je je natuurlijk geneert. En intussen herstelt je ziel zich van haar intense vermoeidheid.

'Nu', zegt hij, 'kan ik weer een beetje over die berg van leed heenkijken. Ik zie weer hoe mooi het was en word overvallen door een gevoel van heimwee.'

Je vertaalt weer eens een boekje over Bonhöffer, je waagt je weer eens onder de mensen, je gaat weer eens op reis (de laatste met háár was in 1992, Guernsey en Jersey). Kortom, je krabbelt overeind.

'Je bent zeventig', zeg ik, 'je hebt misschien nog jaren te gaan.'

'Ik hoop het', zegt hij.

'Je ziet daar niet tegenop, tegen die jaren.'

'Nee', zegt hij, 'ik hoop het.'