Leugens, overal leugens

BOEK

Stine Jensen: Leugenaar.

Lemniscaat, 208 blz., 14,50 euro****

Stine Jensen: Leugenaar. Lemniscaat, 208 blz., 14,50 euro****

Een 'snuffelaar', zo noemt publiciste en filosofe Stine Jensen (1972) zichzelf. Van kinds af aan speurt ze al in andermans dagboeken, broekzakken en post - op zoek naar bedriegers en hun leugens. Over deze obsessie met de homo mentiens, de liegende mens, heeft ze nu een vlot leesbaar boek geschreven. Alvorens aan haar zoektocht naar de onwaarheid te beginnen, behandelt Jensen drie filosofische posities die je ten opzichte van de leugen kan innemen: die van Immanuel Kant (liegen mag nooit), die van Jeremy Bentham (liegen mag als dat de schade beperkt), en die van Friedrich Nietzsche ('de waarheid' is een leugen).

Waar ze zelf staat in deze discussie wordt niet helemaal duidelijk. Benthams positie lijkt vanuit praktisch oogpunt het makkelijkst houdbaar. Als iedereen altijd zou zeggen wat hij écht meende, zou het met de vrede thuis en elders op aarde, voor zover die al bestaat, gauw gedaan zijn. Met instemming citeert Jensen dan ook Oscar Wilde, als die zegt: 'A little sincerity is a dangerous thing, and a great deal of it is absolutely fatal'. Haar dwangmatige gespeur naar leugenaars doet in ieder geval vermoeden dat ze er niet op vertrouwt dat Kant zich in veel aanhang mag verheugen.

In de hoofdstukken die volgen trekt een indrukwekkende stoet fabulanten voorbij. Leugenaars in de liefde, leugenaars in de kunst, leugenaars op televisie, leugenaars in de sport: er lijkt geen einde te komen aan de stortvloed van verzinsels. Leugens, overal leugens. Jensen is goed thuis in zowel de high als low culture, en springt tussen beide niveaus moeiteloos heen en weer. Zo moeiteloos zelfs dat de lezer af en toe duizelig wordt van het plotselinge hoogteverlies. Binnen een paar pagina's stuiter je van het liedje The Girl from Ipanema naar Simon Vestdijk en Jean-Paul Sartre, om uit te komen bij een Amsterdams-Marokkaanse barman met bindingsangst.

Aan het eind van het boek spreekt Jensen met mensen die van 'snuffelen' hun beroep hebben gemaakt: een privé-detective en een handelaar in spionagemateriaal. De conclusies die zij trekken over hun klanten zijn ontnuchterend. De vrouw die langs komt omdat ze wil laten uitzoeken of haar man vreemd gaat, weet diep in haar hart meestal al dat dit het geval is. Bij de meeste mensen functioneert de leugendetector naar behoren.

In de epiloog van Leugenaars beschrijft Jensen hoe ze wordt betrapt door haar vriend terwijl ze net de inhoud van zijn bureaula aan het doornemen is. Na enkele uren van wederzijds zwijgen besluiten ze een terrasje te gaan pakken. Tot haar eigen verbazing is het Jensen, normaal de onzekere in de relatie, die sussende woorden spreekt: 'Het komt allemaal goed, schatje.' Als ik de vriend was van Stine Jensen, zou mij dat niet geruststellen. Want wie was hier aan het woord: Kant, Bentham, of Nietzsche?

Bart Funnekotter