Democratie in Azië

India is van oudsher een democratie. Een reeks andere Aziatische landen begint er ook ervaring mee op te doen. En zelfs autoritaire regimes als die van China of Vietnam verzetten zich niet meer principieel tegen democratie. Hun leiders zeggen alleen dat ze er nog niet rijp voor zijn.

Maar wat voor democratieën? Wijst het Westen nog de weg?

Democratie is een product van westerse makelij en je hebt het in soorten.

Nederland was altijd een schoolvoorbeeld van een representatieve democratie. Er waren politieke partijen, er was een politieke elite die het werk deed. Het grote publiek ging naar de stembus en delegeerde vertrouwen om de dingen te regelen die om een regeling vroegen. Het afwegen van belangen en het sluiten van compromissen hoorden daarbij en daar kon je je als burger niet elke dag mee bezighouden. Het is een vak en je moet de tijd hebben om je erin te verdiepen.

Dit type democratie is al een tijdje op zijn retour. In de beeldspraak heet het 'de kloof'. Gevraagd zijn nu politici van het volk, met wie een mens zich kan identificeren.

Vanuit de vertegenwoordigende democratie geredeneerd kun je zeggen dat er op deze manier juist te weinig afstand tussen burger en politiek bestaat om een land enigszins ordelijk en voorspelbaar te kunnen besturen. Immers, als iedereen via standpunt.nl elke dag een cocktail van kennis, willekeur en humeur over Den Haag heen kan kieperen, wordt het daar knap onrustig zonder dat die onrust tot iets anders leidt dan 's avonds maar weer in een of andere babbelshow te gaan klagen over 'de kloof'. En wie dat 'leuk' doet, krijgt volgende week een hogere rating. De representatieve democratie is, kortom en helaas, een beetje de weg kwijt.

De Verenigde Staten hebben van oudsher hun democratie veel sterker ingebed in het populisme. Vanaf de president tot de gouverneur, vanaf de regionale rechter tot de plaatselijke sheriff - iedereen wordt gekozen. Populisme is als het ware in het democratische stelsel geïntegreerd. Dit populisme werd vroeger subtiel gekanaliseerd door een internationaal georiënteerd Eastcoast-establishment - bankiers, professoren die af en toe presidenten hielpen, in een kabinet gingen zitten en zorgden voor continuïteit en matiging.

Maar zoals de representatieve democratie in het defensief is, zo is de volksere democratie in Amerika gemankeerd. De opkomst bij verkiezingen is dramatisch laag. Nationale campagnes zijn zo duur geworden dat verkiezingen meer en meer een strijd tussen rijke kasten aan het worden zijn, met nevenverschijnselen als cliëntelisme en een cynische omgang met instituties. Een aristocratisch Eastcoast-establishment bestaat niet meer.

In Azië blijven India en Japan twee gevallen apart. De eerste is een gevestigde cliëntelisme-democratie, de tweede een geritualiseerde ambtenarendemocratie. Het zijn met alle tekortkomingen vandien toch stelsels die bij het land passen.

Voor China is het een raadsel wat bij dit land zou passen. Er is geen draaiboek, geen marsroute, terwijl alle ervaringen in de wereld leren dat democratisering een route langs de afgrond van chaos en bloedvergieten betekent. Maar de regering weet zich met een dreigende mondigheid van haar onderdanen in feite geen raad. Men heeft het over opvoeding, en Confucius is gerehabiliteerd met de speciale opdracht om de verwende generatie van straks deemoed, geduld en ontzag voor gezag bij te brengen.

Het is waarschijnlijk een beetje veel gevraagd van de 2500 jaar oude filosoof. Verder is er dan nog de uitweg van een feller nationalisme om 1,3 miljard Chinezen bij elkaar te houden, plus prestigeprojecten zoals straks, in 2008, de Olympische Spelen.

Fascinerend en leerzaam voor Europa is eigenlijk vooral Thailand. Het land (63 miljoen inwoners) is al sinds 1992 een democratie, het kent een goed ontwikkelde middenklasse en was op weg om een soort representatieve democratie te worden. Totdat vijf jaar geleden de succesrijke zakenman Taksin Sinhawatra een ontevreden volk zag en met een wervelende campagne vol marketing en no-nonsense de zaak op zijn kop zette. Alles kwam uit het handboek van het democratisch populisme. Hij richtte een nieuwe partij op met een naam die ook had gepast bij zijn mobieletelefoniebedrijf, Thai Rak Thai - Thais houden van Thais. Hij schoffeerde elites, zette tv-stations naar zijn hand, forceerde de horeca van Bangkok eigenmachtig tot wat meer discipline en voerde een buitengewoon succesvol beleid voor de arme boeren op het platteland. Hij gaf hun onbureaucratisch, ongecompliceerd, microkredieten. Het werd een groot succes.

Op zeker moment kwam de middenklasse tegen zoveel populisme in opstand. Bij verkiezingen konden ze het niet meer van de populaire man-met-de-grote-mond winnen en dus boycotten ze hem, schiepen voldoende chaos en wisten hem onlangs te verjagen. Nota bene met behulp van de koning. De Thais mogen zich in deze strijd tussen representatieve en populistische democratie gelukkig prijzen met dit gezaghebbende instituut, ook al omdat de oude Bhumibol (78) zich rolvast als een stille kracht op de achtergrond hield. Het was een wonderlijke vertoning - een stedelijke middenklasse die tegen de democratische meerderheid geen ander middel meer wist te vinden dan boycot en een beroep op de monarch. Een middenklasse dus niet als voorwaarde voor democratie, maar als 'slachtoffer' en aanrander ervan tegelijk.

Voor China is de populistische variant een nachtmerrie, een recept voor onrust en chaos, en het heeft trouwens ook geen wijze monarch als vangnet. De enige route naar democratie die Chinezen met een kans op succes zouden kunnen afleggen, is die van de oefening met burgerlijke vrijheden: wat meer uitingsvrijheid, wat meer tolerantie. Een soort behoedzame revolutie van bovenaf dus.

Maar het Chinese regime vreest dát nu juist als de duivel het wijwater. Het zoekt een uitweg in de vierkante cirkel van de welwillende despotie. Recepten daarvoor heeft het Westen niet in de aanbieding.

    • Ben Knapen