Ontdekkingsreiziger O’Hanlon woonde drie jaar in Almere: ‘In het Amazonegebied is de natuur veel saaier’

Almere volgens Redmond O’Hanlon Drie jaar was de Britse avonturier en schrijver Redmond O’Hanlon writer-in-residence in Almere.

Redmond O’Hanlon, gewend aan de wildernis van Borneo en Congo, verkende voor een boek de natuur in en rond Almere. „Het maakt de dieren niet uit of de natuur is aangelegd of niet.” Foto Olivier Middendorp

De eerste keer dat hij Almere zag, was in 1984. Zijn boek, Naar het hart van Borneo, was net naar het Nederlands vertaald en zijn uitgever reed hem naar de prille wildernis aan de Knardijk. „De aangeplante boompjes waren zo hoog”, zegt hij en houdt zijn hand op heuphoogte.

De tweede keer dat hij Almere zag, was in 2015. De stad had hem gevraagd writer-in-residence te worden. Renate Dorrestein en Stephan Sanders waren hem voorgegaan. De stad zou hem 25.000 euro betalen. Redmond O’Hanlon reed naar het centrum en ging op het dak van de parkeergarage staan. Hij zag identieke appartementen en platte daken – geen streepje groen. „Spuuglelijk” vond hij de stad. Had hier een stel communistische tekenaars soms vrij baan gekregen?

Maar hij ging, al verklaarden zijn vrienden in Amsterdam hem voor gek. „Die semi-snobs weten niet wat ze missen”, zegt hij nu, drie jaar later. „Vanuit mijn huis liep ik het bos in, waar ik bevers en ijsvogels zag. En binnen vijf minuten reed ik naar het grootste natuurreservaat in Europa [de Oostvaardersplassen, red.].” Het is dat zijn vriendin wilde verhuizen, naar Drenthe, waar ze nu een kleine boerderij hebben met een ooievaarsnest op het dak. Hij had wel in Almere willen blijven.

Het lijkt onbestaanbaar. De Britse avonturier en schrijver, die lang door de wildernis van het Amazonegebied, Borneo en Congo trok; die maandenlang in het kielzog van Darwin over de wereldzeeën voer; die in de met een Zilveren Nipkowschijf bekroonde tv-serie O’Hanlons Helden met negentiende-eeuwse ontdekkingsreizigers dweepte – hij is nu een pleitbezorger van een artificiële stad en nepnatuur?

Wacht maar, zegt hij, hij zal het laten zien.

Hier woonde hij, in nieuwbouwwijk Almere Nobelhorst, in een modern flatgebouw. „Ik heb hier nooit een kind horen huilen”, zegt hij als hij langs een kleuter op een fietsje rijdt. „Misschien heeft de wereld in Nobelhorst zijn stekels ingetrokken.”

Misschien is het ook omdat geluk, net als al het andere in Almere, maakbaar is. O’Hanlon wijst naar een rijtje huizen: ze hebben aflopende tuinen die eindigen in een vlonder aan een kanaal. „Alleen gaat dat kanaal nergens heen. Het is zo’n honderd meter lang en dan stopt het. Hollandse verbeelding noem ik dat.”

Zelfs de natuur is hier gemaakt. „Wist je dat alle bomen met de hand zijn geplant? De arbeiders zaten op een plank achter rupsvoertuigen die over de velden werden getrokken. Op een fluitsignaal plantten ze allen synchroon een boompje.”

Stoort het hem niet, die kunstmatige natuur? „Het maakt de dieren niet uit of de natuur is aangelegd of niet. De toekomst van de natuur ligt in de stad. Buiten die steden ligt akker- en tuinbouwland, vergeven van de pesticiden. Daar overleeft geen insect of plant. En dus moeten we het groen naar de stad halen. Het is de enige mogelijkheid.”

Rockster in een vogelhut

Het centrum vindt hij nog altijd spuuglelijk. Maar de nieuwbouwwijken buiten het centrum, de satellieten, vindt hij mooi. We rijden door een andere nieuwbouwwijk, Oosterwold, langs futuristische ruimteschepen, glazen uitkijkposten, een huis gebouwd uit autobanden gevuld met zand. Over kronkelige weggetjes, overwoekerd door veldbloemen. Hij vindt het knap, hoe Almere heeft geleerd van haar fouten, hoe de stad het concept van de uniforme rechte blokkendozen heeft laten varen.

Natuurlijk is het nog altijd bedacht, een concept. „Toen men in de Middeleeuwen een stad bouwde, was die ook kunstmatig. Nu heet zo’n stad historisch. Over vijftig jaar zijn hier overal bomen, planten, dieren en vogels. En daar tussen staan dan de meest geweldige huizen.”

Dan, ineens, consternatie. Boven onze hoofden cirkelen twee grote vogels. Inderdaad, twee zeearenden. Slechts één keer eerder tijdens zijn verblijf in Almere zag hij een zeearend. „This is a pretty good day. In het Amazonegebied is de natuur veel saaier. Dagenlang kon ik op zo’n boot zitten, turend naar de oevers, en niets zien. Hier ga ik even zitten en vliegen er zeearenden boven mijn hoofd.”

Foto Olivier Middendorp

Met Redmond O’Hanlon een vogelkijkhut binnenlopen is als met Mick Jagger de lobby van het Amstel Hotel doorkruisen. Monden vallen open, mensen stoten elkaar aan. In de observatiepost van de Oostvaardersplassen verstomt het geklik van de enorme fotolenzen. Is het hem echt?

O’Hanlon kijkt door zijn verrekijker. Niet eerder zag hij het water zo laag staan. Daardoorheen lopen tientallen kluten, parmantig op hun hoge poten. Hij heeft de protesten rond de Oostvaardersplassen deze winter met verwondering gevolgd. De parkwachters die de dieren lieten verhongeren, de mensen die voedsel over de hekken gooiden. „Het was verschrikkelijk.”

Hij is blij met de nieuwe aanpak: het afschieten van overtollige, gezonde dieren om het vlees te verkopen aan poeliers. „Dat is niet tegen de natuur. Ik heb natuurvolkeren op Borneo gezien, die schieten ook een aantal mannetjesdieren af als er te veel apen zijn.” Hij zou het gebied vervolgens opnieuw „inrichten”. Met vossen, konijnen, salamanders. En pony’s voor de kinderen.

Bang is hij eerder voor de toekomst van Almere. De stad, met nu een ruime 205.000 inwoners, groeit naar maximaal 350.000 mensen. Maar wat als het geld lonkt? Groeit de stad dan door naar 450.000 mensen? Wordt het groen tussen de satellieten opgevuld met woningen? Verdwijnt de landbouw? „Ik hoop het niet.”

Foto Olivier Middendorp
Foto Olivier Middendorp
Foto Olivier Middendorp
Redmond O’Hanlon: De Groene Stad, Uitgeverij Atlas, 224 blz. €18,99
    • Yaël Vinckx