Putdeksels

Ik word altijd passief van Pasen. Ik hoef niet naar een meubelbeurs en eigenlijk ook niet naar familie. De zaterdag vóór de feestdagen had ik nog een korte opleving. Ik ging opruimen. Het bleek niet meer dan een verplaatsing van de puinhoop. Met dat besef legde ik mijn hoofd op de bank en keek hoe het laatste cijfer van de digitale klok van de videorecorder veranderde.

Zondag zou het vast iets beter gaan. Op wezenloze feestdagen is het plezierig wielrennen kijken op televisie. In de middag gleed het peloton als een lint door het Limburgse landschap tijdens de Amstel Goldrace. Pas toen Steffen Wesemann er tussenuit kroop, begon de koers pas echt. Het was misschien wel de beste voorjaarsklassieker van het seizoen.

Ik geneer me altijd een beetje voor de Amstel Goldrace. Hij lijkt in historie niet te kunnen tippen aan de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix en Luik-Bastenaken-Luik. De naam deugt niet. Amstel? Doet denken aan een rivier en bier. Gold? Engels woord, patserig metaal. Race? Auto's en motoren.

Intussen glijden de mooie namen van Limburgse dorpen door het beeld. Vilt, Cadier en Keer, Sibbe, Raar, Beek.

Ik zocht naar Michael Boogerd. Er wordt gezegd dat hij te weinig uit zijn carrière heeft gehaald. Toch maakt zich altijd iets van opwinding van mij meester als hij in de kopgroep rijdt. Zijn gezicht toont altijd strijdlust. En dan die tanden - hij heeft er meer dan wie ook - met het afgesleten glazuur van het pijn verbijten in de finale.

Zondag was het een wonder dat hij meefietste. Hij had een paar weken geleden nog een gipspoot; tijdens het spelen met zijn zoontje had hij een botje in zijn rechtervoet gebroken. Hij had pijn, kon niet anders.

Boogerd kent het parcours van de Amstel Goldrace als geen ander. En dat moet ook. Het is draaien en keren. Boogerd weet alles van de Limburgse klassieker. Hij zegt de percentages van de Keutenberg en de Eyserbosweg in zijn slaap op. Dat Boogerd derde werd, vind ik knap. Hij leek er zelf op het podium ook wel blij mee.

Van het kijken naar wielrennen krijg je zin om te sporten. Ik moest en zou fietsen op de vrije maandag. Het lukte. Ik zat in mijn eigen Ronde van de Rotte. Ik rijd daar al vijfentwintig jaar. Ik weet waar de scheuren in het asfalt van het smalle fietspad zitten, ik ken de holletjes en de gaten, ik weet hoe ik de brug over het water moet nemen. Kortom, hier heb ík parcourskennis.

Op de terugweg liggen twee putdeksels in het wegdek verzonken. Ze zitten in een bocht waar je hard doorheen kunt. Al sinds ik De Rotte fiets, probeer ik zo mooi mogelijk tussen de twee putten door te fietsen. Dan pas rijd ik een goede tijd. Bijgeloof.

Kilometers voor het moment ga ik al achter op het zadel zitten. Ik neem nog een slok uit mijn bidon, de handen gaan op het stuur. Daar komen ze, mijn putten. Ik zit deze maandag met de voorband precies in het midden. Mooie passage.

Beschouw het als een eerbetoon van een eenvoudige recreant aan de perfectie van Michael Boogerd, met zijn mooie ereplaatsen, zijn petje achterstevoren in de bergen en zijn nooit aflatende aanvalsdrift.

Geniet van Boogerd, nu het nog kan.

    • Wilfried de Jong