“Ooievaar uitzetten is wel nodig'

Van de Vogelbescherming mogen de ooievaarsstations gesloten worden. Het zou goed gaan met de ooievaar. Niet iedereen vindt dat een goed idee.

Ooievaarsnest op een oude schoorsteen in Delft. Foto Walter Herfst Delft, Nieuwe Haven april 2006 Ooievaarsnest op een niet meer in gebruik zijnde schoorsteen met mobiele telefonie antennes. Foto: Walter Herfst Herfst, Walter

De rits bordjes met “verboden toegang' erop zijn bedoeld om nieuwsgierigen buiten de hekken te houden. Er staan inmiddels zo'n tien bordjes, maar ooievaarsstation De Lokkerij in het Drentse De Schiphorst (bij Meppel) doet zijn naam eer aan: de mensen blijven komen.

Het is er zo druk als in een dierentuin. De 85 ooievaars vliegen af en aan. “Ik word soms gek hier“, verzucht Els Koopman (67), die samen met haar man Frits (68) het station beheert. “Niet van de ooievaars, maar van al die mensen.“

De Lokkerij bestaat 25 jaar en is een van de tien plekken in Nederland waar ooievaars opgevangen en bijgevoerd worden als ze in het voorjaar terugkomen van hun jaarlijkse reis naar Afrika.

In 1969 was de ooievaar door ruilverkaveling en intensivering van de landbouw bijna uit Nederland verdwenen. Er waren nog maar veertien nestparen. Op initiatief van de Vogelbescherming werd naar Zwitsers voorbeeld de ooievaarsfokkerij “Het Liesveld' in Groot Ammers opgezet. De ooievaars zaten in kooien en werden handmatig gevoerd. Jonge ooievaars werden door het hele land in buitenstations geplaatst. Een groot deel van deze ooievaars is zelfstandig naar Afrika getrokken.

In 2000, 31 jaar later, bestempelt de Vogelbescherming haar project als geslaagd: de ooievaarsstations kunnen worden opgedoekt. Vorige week berichtte de Vogelbescherming dat het aantal ooievaars met 500 broedparen weer even hoog is als in 1900. De ooievaar zou gered zijn.

“Dat is hij dus niet“, zegt Koopman. “Er komen nog veel te weinig jonge ooievaars terug van de trek.“ Van de jonge ooievaars die voor het eerst op trek gaan, komt twee jaar later, als ze geslachtsrijp zijn, slechts tien tot vijftien procent terug. Dat wijzen tellingen op de buitenstations uit. “En dat is“, zegt Koopman, “veel te weinig om de populatie in stand te houden. Er moet ieder jaar door de “blijvers' extra aanwas ingepompt worden.“

Ooievaars vliegen zich op de trek dood tegen hoogspanningskabels (de helft van de sterfte), ze worden door jagers afgeschoten en hun rustplekken op de trekroute worden volgebouwd met huizen.

Koopman krijgt bijval van Thomas Maarssen, beheerder van het ooievaarsstation in Spanga in Zuidoost-Friesland, dat in 1985 werd opgezet. Meer dan de helft van de Nederlandse ooievaars zit in Spanga en De Lokkerij. “Bij de Vogelbescherming hebben ze niet genoeg verstand van ooievaars“, zegt Maarssen. “Sluit de stations, en de situatie over een paar jaar is weer net zo als die in 1969.“

Maar volgens Hans Peeters van de Vogelbescherming werkt het zo niet. “Vijfhonderd broedparen is voor Nederland genoeg om de populatie zonder mensenhulp in stand te houden“, zegt hij. “Het werkt net als bij andere vogels. Die gaan ook op trek, daar komen er ook maar weinig van terug. En toch blijven ze bestaan. Het broedseizoen zorgt voor een overschot, waardoor er verliezen geleden kunnen worden. Zo werkt het in de natuur.“

Bovendien, zegt Peeters, kloppen de cijfers van de buitenstations niet. “In opdracht van de Vogelbescherming heeft het Nederlands Instituut voor Ecologie onderzocht wat het percentage ooievaars is dat terugkomt. Zij kwamen uit op vijftig procent.“

“De buitenstations zijn nog wel degelijk nodig“, zegt Peter Otten, ornitholoog en voormalig biologiedocent. “Niemand weet de precieze cijfers. Daarom is het veel te rigoureus de stations te sluiten. Als je ze dan toch wilt laten verdwijnen, doe het dan heel geleidelijk. Dan kun je dat besluit terugdraaien, als het misgaat.“

Vorige week sloot in navolging van buitenstation Leek het centrum in Alphen aan den Rijn. Er zijn nog tien centra over. De Vogelbescherming kan de stations niet dwingen hun activiteiten te staken, maar geeft ze wel het dringende advies.

Maar Koopman heeft daar lak aan. “Wie heeft er nou beter zicht op? Wij zijn veruit het grootste buitenstation van Nederland, maar ik heb hier de afgelopen vijftien jaar niemand van de Vogelbescherming gezien.“

Van Koopman moeten de stations nog minstens twintig jaar blijven bestaan: “In Spanje en Frankrijk worden alle nieuwe hoogspanningskabels vogelveilig gemaakt. Dat gaat een hoop ooievaarslevens schelen. Voordat dit gerealiseerd is, mogen de buitenstations niet dicht.“