Fijne beschuit

Weet je wat je ook bijna nooit meer hoort? Fijne beschuit. Ik bedoel dat je iemand een fijne beschuit noemt. Ik vrees zelfs dat er lezers zijn die deze uitdrukking helemaal niet kennen. Dat ik 'm wel ken, komt doordat ik een verleden heb als fijne beschuit. Dat wil zeggen: ik kan me nog goed herinneren dat de moeder van een vriendin tegen mij zei, toen ik een jaar of zeventien was: “Jeetje, wat ben jij toch een fijne beschuit.“

Voor wie de uitdrukking niet kent: je zegt dit tegen iemand die je een rare druif vindt. Tegen iemand met maniertjes, tegen een fijnbesnaard of overgevoelig persoon, dan wel tegen iemand met net iets te lange tenen. Althans, zo ken ik de uitdrukking, maar de Grote Van Dale vermeldt als betekenis alleen “schijnheilige'.

Daar keek ik nogal van op. Ik kan me niet meer precies herinneren waarom die moeder van die vriendin dat indertijd tegen me zei - het is alweer even geleden - maar ze zal toch verdorie niet hebben bedoeld dat ze me een schijnheil vond?

Hoe het ook zij: deze uitdrukking lijkt hard op weg om kopje onder te gaan. In de digitale krantenarchieven vond ik in vijftien jaar tijd slechts twee vermeldingen. Zo konden we in 2003 in De Gelderlander lezen: “Als iemand een fijne beschuit wordt genoemd, is het oppassen geblazen. We hebben dan te doen met een schijnheilig type.“

Bij mijn weten is de uitdrukking in 1858 voor het eerst opgetekend, in het bekende Spreekwoordenboek der Nederlandsche Taal van P.J. Harrebomée. Deze Gorkumse onderwijzer had de akelige gewoonte om bij de meeste spreekwoorden geen verklaring te zetten. Iedereen kende die wel, meende hij. Een gemiste kans, want nu weten wij niet wat men halverwege de negentiende eeuw precies met het is eene fijne beschuit bedoelde.

Dat de uitdrukking toen algemeen bekend was, is wel zeker. In 1883 bracht Justus van Maurik, de bekende chroniqueur van het Amsterdamse volksleven, een blijspel in vijf bedrijven uit, getiteld Fijne beschuiten. In 1889 komen we deze verbinding tegen als titel van een stuk van S.E.W. Roorda van Eysinga, en in 1896 nam G.J. Boekenoogen het is een fijne beschuit op in zijn woordenboek van de Zaanse volkstaal, met als betekenis “hij is niet goed te vertrouwen'.

Er lijkt nog een andere betekenis te zijn geweest. Omstreeks 1903 maakte Eduard Jacobs, een van de grondleggers van het Nederlandse cabaret, een liedje getiteld “Fijne beschuiten', dat als volgt begint: “Dit type van het kwezelras/ Vertoont zich haast in iedere klas'/ Men kent ze aan hun broek en jas/ Die krapjes om hun lichaam sluiten/ Een pruikje dekt hun kale kop/ Gewoonlijk ook een hoge dop/ Een witte das gelijk 'n strop: ... / Fijne beschuiten!“ In de voorbeeldige uitgave van de liederen van Eduard Jacobs, in 1995 samengesteld door Paul Blom, staat in een voetnoot bij fijne beschuiten dat daarmee “zwaar christelijke lui' werden bedoeld.

Rare druiven, overgevoelige typjes, schijnheiligen, mensen die niet te vertrouwen zijn, fundamentele christenen - er is enige overlap denkbaar (schijnheilige christenen bijvoorbeeld), maar hoe dan ook wordt duidelijk dat tot nu toe nooit uitputtend is vastgelegd hoe deze uitdrukking werd of wordt gebruikt. Als ex-fijne beschuit (in onduidelijke hoedanigheid) zou ik dat graag rechtzetten, dus van de paar lezers die deze uitdrukking nog gebruiken of kennen, hoor ik graag hoe zij denken dat-ie moet worden gebruikt.

Voor het echt te laat is.

Reacties naar de Achterpagina of via www.nrc.nl/woordhoek (de weblog-versie van WoordHoek).

    • Ewoud Sanders