Wie wist wat op welk moment, is de vraag

In het proces tegen de ex-Ahold top was het woord de hele week aan de advocaten. Net als tijdens het requisitoir van justitie ging het er af en toe hard aan toe. Maar wat schuilt er achter de retoriek in de Ahold-zaak?

Deelnemers aan het Ahold-proces komen aan bij de Amsterdamse rechtbank. Links verdachte Jan Andreae. (foto: NRC Handelsblad, Maurice Boyer Jan Andreae (met vrouw?) arriveert bij de Rechtbank Foto NRC H'Blad, Maurice Boyer 060413

De inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen de voormalige Ahold-top begon aanvankelijk wat bloedeloos, maar de afgelopen dagen knalde er verbaal vuurwerk in de rechtszaal. Was het vorige week het openbaar ministerie (OM) dat in het requisitoir af en toe stevige taal uitsloeg, deze week haalde de verdediging alle middelen uit de kast richting justitie, al ging dat bij de ene advocaat wat subtieler dan bij de ander. De raadsman van oud-financieel directeur Michiel Meurs (104 pagina's pleitnotities), had het over 'beeldvorming' die 'goed voor de bühne is, maar de waarheidsvinding tekort doet'. De raadslieden van voormalig bestuursvoorzitter Cees van der Hoeven (232 pagina's pleidooi) en ex-bestuurders Jan Andreae en Roland Fahlin (190 pagina's) gingen steviger te werk en schroomden bijvoorbeeld niet om de Schiedammer Parkmoord erbij te halen, waar justitie onderuit ging. Ook in de Ahold-zaak, aldus de advocaten, heeft het OM 'zijn integriteit verspeeld', is men 'onvoldoende ingevoerd', gaat men 'lichtzinnig' en 'slordig' met de zaak om, en is er sprake van 'gebrekkig' onderzoek. In de zaken van Andreae en Fahlin werd zelfs niet ontvankelijkheid van het OM bepleit, een verzoek dat de rechtbank in een eerder stadium van het proces op dezelfde kernpunten overigens al heeft afgewezen.

Met requisitoir en pleidooien achter de rug zijn enkele hoofdvragen in de strafzaak de afgelopen weken duidelijker geworden, zeker als alle pathos en vleugjes retoriek van de verschillende procespartijen wordt weggefilterd. Kern blijft dat Ahold een aantal jaren de omzetten meetelde (consolideren) van enkele buitenlandse joint ventures, terwijl het bedrijf niet voor 100 procent eigenaar was. Op aandrang van de Amerikaanse tak van huisaccountant Deloitte werden er 'control letters' gemaakt die een volledige zeggenschap van Ahold bevestigden. Maar ook intern drongen Ahold-medewerkers al sinds 1997 aan op een extra, schriftelijke bevestiging van de zeggenschap. Die control letters kwamen er uiteindelijk. Maar er werden óók geheime 'side letters' opgesteld die deze zeggenschap juist weerspraken. Zowel de interne accountantsdienst als Deloitte wisten daar niets van af. Zo was iedereen tevreden: de buitenlandse partners hadden op papier dat de Nederlanders niet de baas waren, het Zaanse bedrijf telde de gehele omzet mee en de accountant kon haar handtekening onder de jaarrekening zetten.

Valsheid in geschrifte en misleiding, aldus het OM. Maar ligt het wel zo simpel, zeker juridisch gezien? Voor valsheid in geschrifte moet er opzet in het spel zijn. En als die opzet er niet is, kan je dan wel bewust misleiden? Bovendien, aldus de advocaten: Ahold was 'in de praktijk' de baas binnen de joint ventures. Dus het belang van de control- en side letters was relatief. Daarnaast is er nogal verschil tussen de Nederlandse- en Amerikaanse boekhoudregels en zijn er kanttekeningen te maken bij het optreden van Deloitte. Kortom, aldus de verdediging, het is allemaal meer een boekhoudkwestie dan onderwerp voor een strafproces. Zo domineerde de discussie over vaktechnische aspecten steeds meer de essentie van de strafzaak.

Waar gaat het dan om?

Vast staat dat Ahold, na het bekend worden van het boekhoudschandaal, de jaarrekeningen corrigeerde. Blijkbaar was consolidatie van de joint ventures voor de onderneming onaanvaardbaar. Vast staat ook dat de side letters zijn verzwegen. Dat is een wezenlijk punt. Immers: de accountant vroeg via de control letters niet voor niets een bevestiging dat Ahold inderdaad de baas was. Door de side letters (met daarin juist tegenovergestelde informatie dan in de control letters) geheim te houden, werd relevante informatie aan het toezicht van de accountant onttrokken. Zo werd op z'n minst het risico genomen dat Deloitte met die kennis een ander oordeel over de jaarrekening had kunnen hebben. Dat roept een integriteitsvraag op. Want hoe dan ook: het Ahold-bestuur werkte kennelijk met twee contracten waarvan de inhoud haaks op elkaar stond. Dat blijft een wonderlijke manier van zaken doen, los van de vraag of die handelwijze effect had op de jaarrekening.

Op de zittingen is inmiddels duidelijk geworden dat alle vier de verdachten een andere procespositie hebben. Maar voor allemaal geldt: in hoeverre zijn de gedragingen verwijtbaar, volgens de juridische term 'aanmerkelijk kansbewust'. Wat stond voor wie van tevoren vast bij het opmaken en geheim houden van de gewraakte brieven (drie in Zuid Amerika en één in Scandinavië)? Bij Meurs gaat het onder meer om zijn verantwoordelijkheid als financieel-directeur. In Zuid Amerika werden de side letters met een duidelijk doel opgemaakt: om de plaatselijke aandeelhouders gerust te stellen. In Brazilië werd voor dat oogmerk een van de brieven door Van der Hoeven zelf meegetekend. Die zegt dat hij zich daar niets van kan herinneren. Sterker, zijn advocaten verklaarden deze week dat hun cliënt, als hij in Meurs' schoenen had gestaan 'anders had gehandeld' en de beoordeling van de tweede side letters 'aan de accountant had gelaten'. Maar waarom gaf hij niet meteen duidelijkheid toen de side letters eenmaal wel bekend werden? Volgens de advocaten was dat onder meer omdat de zeggenschap inmiddels definitief veranderd was. Maar is dat standpunt houdbaar? En ontslaat het Van der Hoeven van zijn verantwoordelijkheid als bestuursvoorzitter?

Andreae en ex- commissaris Fahlin waren alleen betrokken bij de Scandinavische brieven. Veel wijst erop dat die gelijktijdig zijn getekend, wat vanwege het opzetvereiste juridisch van belang is. De advocaten stellen dat dat onbewijsbaar is. Maar ook hier lopen de standpunten van verdachten uit elkaar. Meurs zegt dat hij Andreae over de brieven heeft ingelicht; Andreae verwijt Meurs 'het falen van zijn geheugen te maskeren'.

Duidelijk is dat de zaak vele laagjes en juridische interpretaties kent. Belangrijk zal daarom zijn hoe zwaar de rechtbank aspecten als het indirect bewijs en het integriteitsaspect zal meewegen. Volgende week reageert het OM op de pleidooien. De verdediging is de week daarop nog één keer aan de beurt. Op 8 mei is het laatste woord van de verdachten; maandag 22 mei volgt de uitspraak.

Dit is het laatste weekboek over de Ahold-zaak. Er staan nog drie zittingsdagen gepland, die in de dagkrant verslagen worden en te volgen zijn via het weblog Ahold op www.nrc.nl

    • Joost Oranje en Jeroen Wester