Sinterklaas en de vrije wil bestaan wel degelijk

De idee van de vrije wil lijkt door wetenschappelijk onderzoek achterhaald. Onze hersenen worden bepaald door natuurwetten, onze wil zou zelfs helemaal niet bestaan. Toch blijft het zoeken naar de waarheid een ingewikkelde kwestie, zoals telkens ook blijkt in deze Maand van de Filosofie die als thema 'waarheid' heeft.

Waarheid is lastig. Soms is het uitgesproken confronterend om de waarheid te ontdekken, ook omdat de ene waarheid wel eens de ontmaskering van een andere 'waarheid' betekent. Neem nu Sinterklaas. Iedereen zal zich nog wel de ingrijpende teleurstelling herinneren die hij of zij ervoer toen de waarheid omtrent Sinterklaas doordrong: Sinterklaas blijkt in leven gehouden te worden door vele nep-Sinterklazen, gretige winkeliers en zich verkneukelende familieleden. De eerste reactie van de jeugdige geloofsafvalligen is begrijpelijkerwijs dat zij zich misleid en bedrogen voelen, omdat Sinterklaas blijkbaar 'nep' is, omdat hij niet bestaat. Het bestaan van Sinterklaas wordt immers door kinderen verbonden met een lichamelijke en historische continuïteit van het individuele bestaan van de persoon die bisschop van Myra was en zijn goede daden verrichtte. Pas na een paar jaar dringt het gelukkig tot de meeste kinderen door dat die vorm van 'echt' bestaan van Sinterklaas niet de enig mogelijke bestaanswijze van een goedheiligman is. Wie die in de maand november op tv, in de harten van de kinderen, op scholen, in de huiskamers en overal elders de spanning en opwinding constateert die de 'nep-Sinterklaas' teweegbrengt, zal ontkennen dat Sinterklaas bestaat? Niet één maar meerdere nep-Sinterklazen staan in winkels en in de tram, gouden boeken met verhalen over lieve en stoute kinderen worden voorgelezen, antwoordbrieven geschreven voor in de schoen. Sinterklaas blijkt wel degelijk te bestaan en beslist niet als een illusie of mythe, maar als een sociaal-culturele activiteit die miljoenen mensen en miljarden euro's in beweging brengt: daar is niets nepperigs of illusoirs aan.

Zo heeft Sinterklaas in deze korte schets een drietal bestaanswijzen beleefd: de 'echte' Sinterklaas van het jonge kind, de 'nep-Sinterklaas' van de teleurgestelde afvallige en de 'gerijpte' Sinterklaas van de volwassene. Deze statusverandering van Sinterklaas is echter niet voor ieder kind te volgen, zeker niet wanneer dat kind ervan overtuigd is dat de goede Sint alleen kan bestaan middels zijn unieke en lichamelijke continuïteit.

Het is niet alleen aan een Goedheiligman gegeven om in de loop van zijn bestaan dit soort veranderingen door te maken. Met veel zaken is in de loop van de jaren iets dergelijks gebeurd: het magnetisme, de gulden snede, het altruïsme, rationaliteit, erfelijkheid en vele andere zaken bleken, toen de wetenschap zich ermee bezig ging houden, toch een andere basis te hebben dan lang gedacht was. Na een aanvankelijke afwijzing ontstond dan meestal een herbepaling van zo'n begrip, waarbij vaak ook een verlies aan bepaalde aspecten van dat begrip te betreuren viel.

De afgelopen decennia lijkt de menselijke wil aan een dergelijke ontmaskering onderworpen te zijn. Meestal wordt de wil omschreven als de bewuste bron van ons doen en laten, maar de laatste tijd wordt aan die visie getornd. De wil zou een heel andere rol spelen, of misschien helemaal niet bestaan. Deze onzekerheid roept soms vrij radicale en wanhopige reacties op, die onlangs ook in deze krant te lezen waren.

Zo betoogde de befaamde evolutiebioloog en auteur van onder andere The Selfish Gene Richard Dawkins. (NRC Handelsblad, 14 januari, 2006) dat het wetenschappelijk gezien onzinnig is om een misdadiger te bestraffen, zoals we immers een haperende auto ook niet met straf te lijf gaan. Omdat, zo betoogt Dawkins, 'elke misdaad in principe te wijten is aan omstandigheden die vooraf zijn bepaald door de fysiologie, de erfelijkheid en het milieu van de verdachte', en zijn begrippen als goed en kwaad, en ook de hypothese van de verantwoordelijkheid van het individu onzinnig en onwetenschappelijk. Volgens Dawkins zullen we al deze begrippen en veronderstellingen ontgroeien en we zullen er zelfs om leren lachen, in de wetenschap dat onze hersenen onderworpen zijn aan onwrikbare natuurwetten. Daarom zouden zij geen ingrepen door een menselijke, bewuste en vrije wil toelaten.

Dat Dawkins deze 'gevaarlijke gedachte' zelf ook met een korreltje zout lijkt te nemen, blijkt volgens mij uit die suggestie van een mens als een 'om zichzelf lachend mechaniek': aangezien het lachen om zichzelf een zelfreflexieve en zelfkritische activiteit is, blijkt het mechanisme toch complexer te zijn dan Dawkins het voorstelt. Desalniettemin betoonde Beatrijs Ritsema zich in haar reactie op Dawkins verontrust. Weliswaar onderstreepte zij dat 'ontmythologiseren een belangrijke taak van de wetenschap' is. ( NRC Handelsblad, 2 febr. 2006), maar dat zij hierin toch niet helemaal kan berusten, blijkt uit de slotzin: 'Zonder illusies is het leven niet leefbaar.' Dat doet denken aan de teleurgestelde ongelovige: Sinterklaas is nep, helaas

Maar is het wel nodig om de vrije wil gedag te zeggen of slechts als een illusie krampachtig te koesteren, wanneer we een bepaalde opvatting van de vrije wil hebben ontmythologiseerd? Laten we de wetenschappelijke manier van ontmythologiseren zelf eens kritisch beschouwen.

Deze discussie over de wil is onder meer in het leven geroepen door experimenten die bewezen zouden hebben dat er geen bewuste wil voorafgaat aan menselijk handelen, maar dat, omgekeerd, de handeling voorafgaat aan het denken en dat de vrije wil dus niet bestaat. De invloedrijkste psycho-fysiologische experimenten op dit gebied zijn gedaan door Benjamin Libet. Na een spontaan geboren vingerdruk heeft onze vrije wil nog slechts een korte tijdspanne van 200 milliseconden om dit spontane initiatief met een veto stil te leggen dan wel zijn lichamelijke gang te laten gaan, zo leek Libets onderzoek uit te wijzen.

De ontmythologisering gaat hier niet zover als Ritsema (en velen met haar) ons wil doen geloven: het is niet zo dat het denken volledig achterloopt bij het handelen, maar misschien wel zo dat het initiatief tot dit handelen niet bij de bewust plannende wil ligt. Die wil heeft dus misschien een beperktere invloed, namelijk slechts als ja/nee-zegger tegen spontane initiatieven.

Nu zijn er bij dergelijk onderzoek meerdere voorbehouden te maken, die voor een deel met de opzet van het onderzoek te maken hebben en deels met de interpretatie van het belang van het onderzoek of van de conclusies.

Om te beginnen is het belangrijk om stil te staan bij de beperkingen van het arsenaal dat de neuropsycholoog of elektro-fysioloog (die Libet is) ter beschikking heeft. Dat is geschikt om met een grote nauwkeurigheid kortdurende en precies gelokaliseerde hersenactiviteiten te meten. Het is veelzeggend dat het meeste neuropsychologisch onderzoek zich dan ook richt op kortdurende en overzichtelijke taken, goed reproduceerbaar onder laboratoriumomstandigheden, met althans gedeeltelijk goed meetbare hersenactiviteit. Het is evident dat zulke onderzoeksvoorwaarden nogal veel beperkingen opleggen aan de mogelijke onderwerpen van het onderzoek. Dat hoeft op zich geen bezwaar te zijn, wanneer onderzoekers hun ambities bijstellen en complexere en langduriger menselijke activiteiten niet tot hun domein rekenen.

Door het meten van huidweerstanden, bloeddoorstroming van hersengebiedjes enzovoorts kan opgemerkt worden in hoeverre een proefpersoon reageert op een bepaalde prikkel: een geluid, een erotisch plaatje, een spieractiviteit, een bekend gezicht of iets dergelijks. Met name vanuit emotie-psychologische (en filosofische) hoek is hierover vaak opgemerkt dat veel emoties zich niet laten onderzoeken in zo'n beperkte opzet, omdat die zich uitstrekken over een langere tijdspanne. Het zou dan ook een misverstand zijn om te menen dat 'liefde' zich op zo'n manier laat vaststellen: seksuele opwinding, kortstondige irritatie, onmiddellijke aantrekkingskracht laten zich misschien wel op die manier meten, maar het langdurige en schommelende proces dat liefhebben heet, blijft zo buiten bereik. Dat is een bezwaar tegen het onderzoek als onderzoekers die beperkingen uit het oog verliezen en hun resultaten representatief achten voor bijvoorbeeld de structuur van het liefhebben. De SIRE-reclame die zich richtte op ons 'korte lontje', leek wel symptomatisch voor deze opvatting van emoties. Veel mensen - onder wie ook psychologen en neurowetenschappers - lijken nu te geloven dat emoties per definitie korte lontjes bezitten en dat echte, authentieke emoties altijd toeslaan in de vorm van kortdurende opwindingstoestanden.

Ook emoties kunnen dus op verschillende tijdsschalen worden bekeken en begrepen. Daarmee komen we weer terug bij het onderwerp van de vrije wil. Die vrije wil wordt meestal opgevat als de bewuste en gewilde oorzaak van een handeling: vergelijkbaar met de ene biljartbal die de andere aan het rollen brengt zou een dergelijke voorstelling van de vrije wil netjes in een causaal wereldbeeld passen. Maar hoe kan een instantie zoals de vrije wil, die verbonden lijkt met zulke onstoffelijke eigenschappen als redenen, motieven en intenties nu invloed hebben op het mechaniek van zenuwen en spieren? Vandaar dat de vrije wil vaak sceptisch bezien wordt als een soort Sinterklaas: mooi verhaal maar volstrekt onrealistisch. En ook in dit geval bezit de scepticus vaak de soevereiniteit van de puber: met een zeker medelijden beschouwt hij diegenen die nog wel en zelfs met plezier en overgave Sinterklaas vieren. Dat deze simpele zielen misschien een ander begrip van Sinterklaas of de wil hebben, komt vaak niet bij hem op - laat staan dat daarvoor misschien zelfs empirische evidentie beschikbaar is.

Onder invloed van zowel filosofische als neurowetenschappelijke inzichten is deze simpele voorstelling van de biljart-wil namelijk allang verrijkt met twee andere aspecten van de wil. De wil is niet alleen de oorzaak van ons doen en laten, maar kan ook onze handeling sturen of afbreken en ten slotte evalueren. De vrije wil blijkt zo uit verschillende aspecten van het doelgerichte en intentionele handelen van een persoon - eventueel pas achteraf.

Als we kijken naar heel alledaagse handelingen als het aanleren van een (tweede) taal, musiceren of fietsen, dan blijkt wel dat willen en willen twee is. In het begin gaan we met noeste wilskracht aan de slag en moeten we steeds bij de les blijven, na verloop van tijd hoeven we alleen maar een sonate te willen spelen en gaat de rest min of meer vanzelf. Tijd en gewenning spelen blijkbaar ook een belangrijke rol bij het aanleren en uitvoeren van handelingen, wat neuropsychologisch plausibel is. 'Willen' kan dus voorafgaan aan een handeling, maar eventueel speelt 'willen' juist een rol, nadat een bepaalde handeling is uitgevoerd: onder invloed van een evaluatie door onszelf of mogelijk ook onder invloed van anderen wordt onze bereidheid om zoiets nog eens te doen, aangepast. Zelfs als we ervan uitgaan dat veel van onze handelingen ongewild en onbewust in gang gezet worden, dan kunnen dergelijke handelingen dus in de loop der tijd toch nog een gewilde en bewuste vorm krijgen door dit soort mechanismen. De harmonische toonladder die we met moeite hebben aangeleerd, moeten we soms met moeite weer afleren, omdat een bepaalde passage nu eenmaal om een dissonant vraagt. Dergelijke gewilde gedragsaanpassingen, hervormingen vinden voortdurend plaats -- ook bij andere activiteiten dan pianospelen.

Voorlopers van dergelijke inzichten kunnen we overigens reeds in de antieke oudheid vinden, toen veel aandacht besteed werd aan morele opvoeding en het aanleren van 'houdingen' (de 'ethoi' waarvan het woord ethiek afgeleid is) die mensen in staat stelden het goede te doen en het slechte te laten.

Aristoteles heeft zo bijvoorbeeld een drievoudig onderscheid gemaakt tussen vrijwillige, onvrijwillige en niet-vrijwillige handelingen, waarbij niet alleen de bron van een handeling, maar ook berouw en spijt of de tevredenheid over een handeling achteraf een rol spelen. Voor hem - en vele filosofen en psychologen na hem - blijkt de gewildheid van een handeling uit de mate waarin iemand zich inspant en oefent om die handeling tot een automatisme te maken. Daaruit volgt de volgende en belangwekkende paradox: iemand is vooral deugdzaam, wanneer hij (of zij) vrijwel automatisch en zonder na te denken het goede doet. Is hiermee de vrije wil tot een illusie geworden, zoals Ritsema stelt? Of berust de vrije wil op een misverstand, net zoals het misverstand waarmee Basil Fawlty zijn haperende auto te lijf gaat?

Nee, zij zijn beiden ten prooi aan een eenzijdige en beperkte opvatting en kennis van de vrije wil. De teleurstelling die beide auteurs uitspreken over het verlies van de illusie van de vrije wil, is als die van de puber die ontdekt heeft dat Sinterklaas niet bestaat maar slechts 'nep' is: ontmythologiseerd is de vroegere opvatting al wel, maar gerijpt en getoetst aan meer adequate kennis en begrippen is de nieuwe opvatting nog niet. Halverwege dus.

Filosoof en werkzaam bij het Instituut voor Interdisciplinaire Studies van de Universiteit van Amsterdam. Hij gaf bundels uit over 'Tien Westerse Filosofen' en 'Doorbraken in de Natuurkunde' en (in voorbereiding) 'Een Cultuurgeschiedenis van de Wiskunde'. Hij doceert onder meer over neurofilosofie.