Die man, uit de wandelrubriek - dat ben ik

Woensdag verschijnt 'Verder wandelen', de tweede wandelbundel van Joyce Roodnat. Haar vaste begeleider Erik van Zuylen, 'man', schreef het voorwoord. Een voorpublicatie

Roodbruine stier Nederland, Poederoijen, (Zaltbommel), 5-12-2005. Nabij Slot Loevestein grazen runederen van een gloednieuw Nederlands ras, dat sinds 4 december 2005 een naam heeft: de Rode Geus. Dit is een vierjarige stier.Het is het eerste inheemse rund dat zonder menselijke inmenging het hele jaar door kan overleven in de natuur. De dieren zijn eigendom van ARK Natuurontwikkeling en komen voort uit een kruisingsproject dat momenteel in verschillende uiterwaarden langs de Waal plaatsvindt. Hierbij wordt het Nederlandse Brandrode rund, dat genetisch een erg smalle basis heeft en inteeltproblemen kent, gekruist met de Franse Salers. Tot nu toe liepen alleen Schotse Hooglanders en Galloways het hele jaar buiten. Een Nederlands zelfredzaam ras is in de loop van de vorigeÊ eeuw verloren gegaan. De Rode Geus moet die leemte gaan opvullen. Foto: Rob Huibers / Hollandse Hoogte _MG_2552 Hollandse Hoogte

Zip! I was reading Schopenhauer last night.

Zip! And I think that Schopenhauer was right.

(Uit de musical Pal Joey, geschreven door Lorenz Hart)

Wat deed ik op 2 oktober 2004? Toen wandelde ik van Enter naar Holten. Het was koud, die dag. Heb ik een getuige? Jazeker. Joyce Roodnat heeft die wandeling beschreven. Een week later stond het in de krant, in het bijvoegsel Leven &cetera van NRC Handelsblad:

'Op het pad hurkt een groengeharnaste sprinkhaan. Hij leeft maar hij beweegt niet erg, hij zal het koud hebben. Man klapt een lineaaltje uit zijn zakmes en meet 'm op: 6 centimeter.'

Die man, dat ben ik. Voor een dag in de week, de zaterdag, heb ik een alibi. Is dat nodig? Dat weet je nooit met alibi's.

Een wandeling begint bij het eindpunt. Die plek markeren we met een achtergelaten auto, daar zullen we aan het eind van dag de uitgang vinden en de garderobe om van schoenen te wisselen. Eerst zal een openbaar vervoermiddel, een of meer treinen, een of meer bussen, een regiobusje of een taxi, ons naar de plek brengen - zo'n 15 kilometer verderop - waar het spektakel begint.

We zijn hierbij aangewezen op de welwillendheid van vreemden. Liefst zouden we ons met gesloten ogen naar het startpunt laten vervoeren, terwijl het landschap dat we straks zullen betreden achterwaarts wordt uitgerold. Maar oplettendheid blijft geboden.

Ik wapen ons wekelijks met een complete lijst van de te passeren bushaltes, inclusief overstaptijden. Voor de taxichauffeur print ik een routebeschrijving. Als een regiotaxi moet omrijden om een medepassagier af te zetten, dan geldt zo'n beschrijving niet meer en houd ik de nieuwe route bij op de stafkaart. Is dat niet wat overdreven? Nee, soms blijkt dat de chauffeur een streek binnenrijdt waar hij nooit eerder geweest is, aan gene zijde van de regiogrens. Via de mobilofoon is hij alweer opgeroepen voor een nieuw vrachtje, op bekend terrein. Het liefst zou hij ons zomaar ergens langs de kant van de weg achterlaten. 'Hier kunt u ook mooi wandelen', of 'u moest er toch uit bij het kanaal? Hier is het kanaal!' Jawel. Maar we moeten op de andere oever zijn! We laten ons niet afschepen, we stappen pas uit als we het wit-rode vlagje hebben opgemerkt dat het begin van de wandelroute markeert.

De wil om te wandelen heeft niets te maken met dit gereken en gehaast.

De wil om te wandelen is het lopen zelf, de fysieke inspanning. Mijn vrouw beschrijft het trotseren van de elementen als een louterende ervaring. Kou: 'Ademen doen we per wolk, mijn wangen staan strak, mijn neus voelt rood en anderhalf keer zo groot.' Wind: 'De zon staat schel, de wind zet frontale aanvallen in, wandelen wordt een roes met mechanisch duwende knieën en een licht hoofd.' Regen: 'Dit is regen zonder end, regen met een missie, regen als concept, regen voor aficionado's.' Hitte: 'De vliegen laten zich niet wegblazen. Die blijven landen, op armen en neuzen en in knieholten. Zweet is vliegenchampagne.' De zwaartekracht: 'Dalen is zwaar. De knieën worden van water, de voeten glippen over de losse steentjes. '

Over de wandeling als voorstelling gaan de hier verzamelde landschapsverhalen.

Ik volg de wandelverslaggeefster op een paar passen afstand en hoop dat alles goed verloopt. Dat een te drukke achtergrond verzacht wordt door nevel, dat een vervallen schuur net aangelicht wordt, zodat hij opvalt in de bosrand. Ik hoop dat er een briefje is achtergelaten met een wanhopige boodschap, of een schoolschrift. Zal de figuratie op tijd verschijnen? Waar zijn de grote grazers die we niet mogen naderen? Ha, een lawaaiïg opvliegende fazant, en die miauwende roep is van een buizerd. Nu is het licht juist goed voor een ontmoeting met een hert. We zien boeren, jagers, wielrenners. Soms zijn er teveel, zoals de honderden mensen in Zaltbommel, gekleed in middeleeuws kostuum. Soms eisen figuranten een grotere rol op zoals de dreigende golfspelers of de scheldende hertogin of de gastvrije Ligurische herder.

Schopenhauer meende dat de landschappen die hij al wandelend waarnam zich uitsluitend in zijn hersenpan bevonden. Hij verbaasde zich erover dat alles zo consequent in alle details klopte, zo in tegenstelling tot andere hersenactiviteiten.

Wij hebben andere ervaringen. Zoals de keer dat ik een fazant hoorde, maar dat Joyce een roodbruine stier zag. Vanaf dat moment was niets meer wat het leek en leek niets meer wat het was.

Ze schreef:

'Zit daar een haas? Of is het een paaltje?' Man tuurt, dat staat hem goed. 'Een haas.' Ik tuur ook, met geknepen traanogen. 'Nee, het is toch een paaltje.' Het paaltje springt weg. Een konijn.'

Als troost wees ik haar op een zwart poesje. Zij houdt van poezen, dat weet ik. 'Ach, wat lief' , zei ze.

Het poesje vloog op. Het was een kraai.