De laatste slaap Pijnloos sterven

Als eerste land ter wereld kent Nederland een richtlijn voor palliatieve sedatie. Niet de al eerder wettelijk geregelde euthanasie, maar pijnbestrijding blijkt vaak de oplossing voor stervenden die niet willen lijden. En voor artsen.

Dominee Anne Vlieger Diepenheim, 07/07/05. Ds. Anne Vlieger. Verhaal Z. Foto Leo van Velzen Nrc.Hb. Velzen, Leo van

Anne Vlieger, dominee in Diepenheim, had alvleesklierkanker. In juli 2005 vertelde hij erover in NRC Handelsblad. Hij had, zei hij, met zijn huisarts over euthanasie gesproken. Maar hoe langer hij nadacht, hoe meer hij twijfelde. Wat moest hij zeggen als hij zo ver was? Vanmiddag om vijf uur? Morgenochtend?

Toen had de huisarts tegen hem gezegd dat het zo niet hoefde. Hij moest doorgaan met zijn leven zolang het nog ging. Als het niet meer ging, zou de huisarts zorgen dat hij niet zou lijden. Daar waren middelen voor.

Eind juli stierf Anne Vlieger, 58 jaar oud. De paniek en de hallucinaties die hij bij het sterfbed van zijn ouders had gezien, maakte hij niet mee. De laatste weken was hij nog met zijn vrouw en kinderen naar Schotland gegaan. En daarna naar hun huis in Frankrijk.

Wat de huisarts bij Anne Vlieger deed, heet palliatieve zorg. Het is de bestrijding van pijn, angst, moeheid, benauwdheid en misselijkheid bij mensen die ziek zijn en dood zullen gaan. Die zorg kan eindigen in palliatieve sedatie. Mensen die op hun sterfbed dreigen te stikken of in de war raken, krijgen dormicum, een slaapmiddel. Ze maken het einde van hun leven niet meer bewust mee. Om het sterven niet langer te laten duren dan nodig is, krijgen ze geen vocht en voeding meer.

Dit is geen euthanasie. Daarbij krijgen mensen op hun eigen verzoek een middel waardoor ze onmiddellijk doodgaan, nadat ze er twee artsen van hebben kunnen overtuigen dat hun lijden ondraaglijk en uitzichtloos is. Artsen die niet zorgvuldig zijn, kunnen worden vervolgd wegens moord.

Dertig jaar lang is in Nederland over euthanasie gediscussieerd. Als eerste land op de wereld kreeg Nederland - op 1 april 2002 - een Euthanasiewet, waar het grootste deel van de wereld nog steeds schande van spreekt. En wat blijkt nu? Dat artsen euthanasie steeds minder vaak toepassen. Ze doen liever palliatieve sedatie.

Als eerste land op de wereld heeft Nederland nu ook, sinds december 2005, een richtlijn voor palliatieve sedatie, van de artsenorganisatie KNMG. Daarin staat dat palliatieve sedatie 'normaal medisch handelen' is, net als opereren of medicijnen voorschrijven. Artsen beslissen er zelf over. Ze hoeven het nergens te melden. Justitie heeft er niets mee te maken.

Ben Crul van Medisch Contact, het weekblad van de KNMG, zegt dat artsen 'massaal overstappen op palliatieve sedatie'. Gerrit van der Wal, hoogleraar sociale geneeskunde aan het VU Medisch Centrum, hoort artsen zeggen dat ze blij zijn dat ze geen mensen meer 'aan de naald' hoeven te laten doodgaan. Van der Wal is een van de mensen die elke vijf jaar voor de overheid de euthanasiepraktijk in Nederland evalueren. In januari 2007 moet blijken hoeveel vaker artsen palliatieve sedatie toepassen.

Wat al duidelijk is: apothekers verkopen meer dormicum, het middel voor palliatieve sedatie. In 2000 een paar honderd keer, in 2005 meer dan drieënhalfduizend keer. En dat was alleen de dormicum die door huisartsen werd voorgeschreven, niet door artsen in ziekenhuizen.

Palliatieve sedatie lijkt de oplossing voor artsen die niet willen doden en patiënten die niet willen lijden. Waarom was die richtlijn van de KNMG er niet eerder? Is in de discussie over euthanasie de palliatieve sedatie vergeten? Was die wet wel nodig?

Papieren

Eerst iets over euthanasie vragen en euthanasie ook echt willen. Het verschil verklaart voor een deel waarom het in Nederland ging zoals het gegaan is.

Vanaf de jaren zeventig, toen de discussie begon, steeg het aantal verzoeken om euthanasie tot 35.000 'te zijner tijd' en 10.000 'op afzienbare termijn' per jaar. Mensen wisten dat het bestond en dat het kon, ook al was er nog geen wet. Als ze kanker kregen, zeiden ze tegen hun arts dat ze niet 'tot het bittere einde' wilden doorgaan. Dokter, geef mij maar een spuitje. Artsen horen nog het dagelijks.

Mia Postma-Ros, een vrouw van 82 met diabetes en borstkanker, vertelde vorig jaar in NRC Handelsblad dat ze de euthanasiepapieren had klaarliggen. Eén been was afgezet, het andere was ook niet goed meer. Geen sprake van dat ze het eraf liet halen. Ze wilde niet doodgaan zoals ze haar grootvader had zien doodgaan. Zonder benen in bed, voor alles afhankelijk van anderen. Een lijdensweg.

Dus liet ze zich nergens meer aan behandelen. Maar wanneer zou het haar te veel worden? En wat dan? Zou ze de huisarts roepen? Doet u het vanavond maar? Daar had ze nog niet over nagedacht. Ze leefde gewoon door, met één been, in haar rolstoel, en zonder bh, want die deed haar pijn.

In dezelfde serie gesprekken over doodgaan vertelde Roel van Spronsen, een huisarts met chronische leukemie, dat hij euthanasie zou willen als zijn remmingen zouden wegvallen. Hij had het meegemaakt, dat mensen die hij hoog had veranderden in razende gekken. Mensen die een goed huwelijk hadden en alles afbraken. Dat nooit. Maar hoe dat zou moeten? Hij beschreef zijn grootste angst, zei hij, zonder dat hij de oplossing kende.

Roel van Spronsen vertelde ook dat hij vroeger tientallen euthanasieverklaringen in zijn bureaula had liggen. Maar als mensen zo ver waren en hij voorstelde om erover te praten, deinsden ze terug. Nu nog niet, dokter. Hij schreef mensen die dodelijk ziek waren ook wel een 'drankje' voor, om er zelf een einde aan te maken als ze niet meer wilden. Dat was nog voor de Euthanasiewet. Roel van Spronsen zegt dat hij nooit heeft meegemaakt dat mensen dat drankje ook echt opdronken.

De drang om te leven is bijna altijd groter dan de wens om te sterven. Dat weten alle artsen. Mensen horen kanker en ze denken kaal hoofd of verminkt lijf en moet iedereen mij zo zien? Dat willen ze niet meemaken. Maar tegen de tijd dat ze het meemaken, denken ze er anders over.

Siebe Swart, verpleeghuisarts, zegt dat hij bij mensen die om euthanasie vragen altijd probeert te weten te komen 'wat erachter zit'. Er was een vrouw van 47 die dood wilde, zegt hij, omdat ze 'het niet meer aan kon'. Ze had longkanker. Maar ze had ook andere problemen. Een scheiding, een gehandicapte zus voor wie ze zou zorgen als haar ouders er niet meer waren, een dochter aan wie ze niet durfde te vertellen dat ze er binnenkort niet meer zou zijn. Het werd geen euthanasie. Er kwam een psycholoog die haar hielp om eerlijk tegen haar dochter te zijn en afscheid van haar te nemen.

Siebe Swart werkt in het Laurens Antonius IJsselmonde in Rotterdam, een verpleeghuis met tien bedden voor mensen die doodgaan. Dat worden er achttien. Laurens Antonius IJsselmonde is een centrum voor palliatieve zorg. Er wordt ook onderzoek gedaan.

Het is zelden de patiënt die de euthanasie uiteindelijk ook echt wil, zegt Siebe Swart. Het is de familie die het wil. Die kan niet aanzien hoe hun vader of moeder erbij ligt en dat het maar duurt en duurt. Dit heeft hij/zij nooit gewild, dokter. Sterven kost tijd, zegt Siebe Swart. Omstanders moeten hun eigen lijden niet verwarren met het veronderstelde lijden van de stervende.

Bert Keizer, een collega van Siebe Swart in een ander verpleeghuis, en auteur van het boek Het refrein is Hein, schreef in Medisch Contact dat hij maar één antwoord wist op de 'briesende verontwaardiging' van kinderen die euthanasie eisen voor hun stervende ouders. Dat was: 'Mijn naam is Keizer en niet God, ik run deze planeet niet, het was niet eens mijn idee om dit circus in gang te zetten. Dit is Aarde. Zó wordt hier gestorven door een type zoogdier dat zich door moeilijk na te vertellen capriolen enigszins buiten het darwinistische reilen en zeilen heeft gemanoeuvreerd.'

Hij was niet bereid om mensen dood te maken omdat de omstanders het sterven zo'n 'rotgezicht' vonden.

Verjaardag

In verpleeghuis Laurens Antonius IJsselmonde is te zien hoe palliatieve zorg kan gaan. Het is maandagochtend tien uur. Siebe Swart praat met een teamleidster over Johanna Vermaat, een vrouw van bijna 94 met een 'buikprobleem'. Wat het is, wordt niet meer uitgezocht.

De teamleidster: 'Ik zie haar achteruitgaan. Haar ogen liggen dieper. Ze begint van iedereen afscheid te nemen.'

De arts: 'Gelukkig is het tot haar doorgedrongen.' Hij heeft vorige week tegen haar gezegd dat hij zich afvraagt of ze haar verjaardag nog zal halen. Zelf dacht ze van wel. Hij zei ook dat ze maar beter in bed kon blijven.

De teamleidster: 'Ze heeft pijn in haar buik. Maar ze heeft me gevraagd om dat tegen niemand te zeggen.' De arts: 'Ze is hard voor zichzelf.'

De teamleidster: 'Ze is er een van de Zeeuwse eilanden, hè.'

De arts: 'Ik had tegen haar gezegd dat ze morfine kon krijgen.'

De teamleidster: 'Ze zal er niet om vragen.'

Ze lopen samen naar de vrouw toe. Ze ligt in een hoog bed bij het raam. In de vensterbank staat een foto van haar als jonge vrouw, met een witte muts en oorijzers. De vrouw probeert overeind te komen. 'Dag dokter', zegt ze.

'Dag mevrouw', zegt de arts. 'Gelukkig zie ik dat het beter met u gaat dan woensdag. Toen zat u in uw stoel, uw oude buren waren op bezoek en u zag zo wit dat ik ervan schrok. U had overgegeven. We zouden vandaag bespreken of het niet verstandiger is om in bed te blijven.'

De vrouw: 'U bent de dokter. Als u het zegt, dan moet het maar.'

De arts: 'Bent u nog misselijk?' De vrouw: 'Ik ben goed.'

De arts onderzoekt haar buik. Die is bol, vooral rechts. Lucht en vocht. 'Ik denk dat we de goede aanpak gevonden hebben', zegt de arts. 'In bed blijven. Als u gaat zitten, krijgt u meer pijn en wordt u weer misselijk.'

De vrouw: 'Maar ik hoef toch niet steeds in bed?'

De arts: 'Nu is het beter van wel. En als u pijn heeft, mag u aan de zuster vragen of ze u een prikje geeft. Dan krijgt u morfine.'

De vrouw: 'Ik heb geen pijn. Mag ik echt niet uit bed?'

De arts kijkt een tijdje naar haar. Dan zegt hij: 'Ik kom morgen weer. Als u dan bent zoals u nu bent, kunnen we het proberen.'

'Mooi', zegt de vrouw. Ze klapt in haar handen.

Strafprocessen

Nu waarom de Euthanasiewet er kwam. Het kortste antwoord is: omdat euthanasie volgens juristen moord was en artsen het toch deden - patiënten vroegen erom.

De discussie begon niet toevallig in de jaren zeventig, toen mensen ouder begonnen te worden. Ze gingen niet meer dood aan tuberculose of longontsteking, daar waren antibiotica tegen. Ze kregen nu kanker, parkinson, reuma. Ellendig, langdurig, uitzichtloos lijden. Moest dat zo?

Voorheen hadden mensen vaak nog een geloof dat het lijden zinvol maakte. Maar nu werd het antwoord morfine - er was weinig anders. Later werden het slaapmiddelen en spierverslappers, zegt Ben Crul van Medisch Contact. In de jaren dat hij huisarts was, paste hij 'een keer of vijftien' euthanasie toe. Voor die tijd had hij in het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis in Amsterdam gewerkt. Hij zag hoe mensen met kanker soms ondraaglijk leden aan moeheid, pijn, misselijkheid. Dat had hem gevormd, zegt hij.

Morfine is een pijnstiller die kan leiden tot onderdrukking van de ademhaling en daardoor tot de dood. Noem het pijnbestrijding, dan is het pijnbestrijding. Noem het pijnbestrijding met als bijbedoeling dat iemand eerder overlijdt, en het is levensbeëindiging.

Hier zit het verschil tussen Nederland en de rest van de wereld, zegt Johan Legemaate, hoogleraar gezondheidsrecht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en jurist bij de KNMG. In de hele wereld gebruiken artsen sinds de jaren zeventig morfine en slaapmiddelen om mensen eerder te laten overlijden. Maar in Nederland wilden artsen dat openlijk kunnen doen.

Zo kwamen er strafprocessen tegen artsen. En zo kwamen de eerste wetsvoorstellen - van D66, begin jaren tachtig. De discussie over euthanasie verplaatste zich naar de rechtbank en de Tweede Kamer. En toen die 'trein eenmaal was gaan rijden', zegt Ben Crul, hoogleraar anesthesiologie in het St. Radboud Ziekenhuis in Nijmegen (en een neef van de andere Ben Crul) was die niet meer te stoppen.

De tolerante sfeer in Nederland. Het belang dat aan autonomie van mensen wordt gehecht. De dood als persoonlijke keuze. Voor D66 waren het de bestaansredenen.

Ondertussen werden in het ziekenhuis de mogelijkheden om pijn en angst bij mensen op hun sterfbed te bestrijden steeds verder ontwikkeld. In 1981 schreef de anesthesioloog Ben Crul - zijn specialisatie is pijnbestrijding - in Medisch Contact dat voor mensen die doodgaan aan kanker het leven dat resteert zo normaal mogelijk moet zijn. Thuis of in een hospice, met alle pijnbestrijding die er is, en de zekerheid dat die tot hun laatste uren zal doorgaan.

Mensen die geen pijn lijden, schreef Ben Crul, willen zelden euthanasie. Hij vond dat politici meer aandacht voor palliatieve zorg zouden moeten hebben. Het duurde twintig jaar, zegt hij nu, voordat hij gehoord werd. Els Borst, arts en de D66-minister van Volksgezondheid die de Euthanasiewet invoerde, liet in 1996 wel aan de Tweede Kamer weten dat goede palliatieve zorg de vraag naar euthanasie kon voorkomen. Maar in de discussie deed het er niet toe.

Voor juristen en politici leek het onderwerp euthanasie afgedaan toen de wet was aangenomen. Maar voor artsen niet. Die hadden, in het ziekenhuis en bij patiënten thuis, veel meer met palliatieve zorg en palliatieve sedatie te maken. Wat was, na zo veel jaren ontwikkeling, the best practice?

Een paar cijfers. In Nederland zijn jaarlijks 142.000 sterfgevallen. Bij 30.000 is daar een besluit om met de behandeling te stoppen aan voorafgegaan, omdat die medisch zinloos was. Dat betekent vaak: geen voeding en geen vocht meer, want dat is dan ook medisch zinloos. Er wordt alleen palliatieve zorg gegeven. Palliatieve sedatie gebeurt in 15.000 gevallen, meestal in het ziekenhuis of het verpleeghuis. Ook dan: geen voeding en vocht meer. In 3.500 gevallen wordt euthanasie toegepast, meestal door de huisarts.

Waar eindigt het een en begint het ander?

Roel Koster, medisch directeur van een farmaceutisch bedrijf, had een ruggenmergtumor in de nek. Verlamde benen, gedeeltelijk verlamde armen, problemen met de ademhaling. Hij vertelde er in oktober 2004 over. Hij was geopereerd, maar de tumor was teruggekomen. Roel Kosters grootste angst was dat hij door pijn en benauwdheid een 'naar levenseinde' zou hebben. Maar zo ver was het nog niet, zei hij. Hij probeerde er verder niet over na te denken. Hij was thuis bij zijn vrouw en drie dochters. Hij had geen pijn en 's nachts lag hij aan de beademing.

In december 2005 stierf Roel Koster. Zijn laatste maanden had hij in bed doorgebracht. Hij kon alleen zijn ogen en zijn mond nog bewegen. Hij werd dag en nacht beademd. Op een vrijdag had hij gezegd dat het zo niet meer ging. Dinsdags was de huisarts gekomen. Die had hem thiopental gegeven, een slaapmiddel. En daarna een spierverslapper. Het was euthanasie.

De huisarts had hem ook dormicum kunnen geven en hem van de beademing kunnen halen. Dan was het palliatieve sedatie geweest. Alleen mag dat pas als iemand niet langer dan een week of twee meer te leven heeft. Roel Koster had nog wel een maand kunnen leven. Als hij maar beademd werd. Had de huisarts de beademing moeten stoppen? Medisch was het zinloos. Dan had hij hem onmiddellijk dormicum moeten geven. Iemand bij bewustzijn laten stikken, dat doet een arts niet. En wat was het dan geweest?

Voor artsen is het een continuüm: stoppen met behandelen, palliatieve zorg, palliatieve sedatie en euthanasie. Ze lopen in elkaar over.

Wollen trui

Maandagochtend om elf uur is Siebe Swart bij de teamleidster van een afdeling waar ook jongere mensen liggen. De teamleidster vertelt over de vrouw van 60 die de dag ervoor overleden is. Ze had keelkanker, haar strottenhoofd was weggehaald. Maar de kanker kwam terug op de operatienaden en daar had ze, in het ziekenhuis, al twee keer een bloeding gehad. Meestal is dat dodelijk, bij haar niet. De vrouw had beide keren dormicum gekregen, om haar niet bewust te laten zijn van wat er gebeurde. Maar de bloeding was steeds gestopt. En de vrouw was weer wakker geworden.

'Hoe was het de laatste dagen met haar?', vraagt de arts.

De teamleidster: 'Ze was bang en ze had pijn. Ze hield haar handen tegen haar hoofd. Slikken ging niet meer. Wassen was onmogelijk.'

Ze kreeg valium en morfine. Het hielp niet. Vanaf vrijdag kreeg ze dormicum. Ze was in slaap gevallen, en zondag was ze overleden. 'Dat is dan toch nog snel gegaan', zegt de arts. 'Het is goed zo.'

Daarna lopen ze naar Coby Houniet, een vrouw van 83 met darmkanker, die is uitgezaaid in de lever. Ze is steeds misselijk. De vrouw, slank in een zwarte broek en een witte wollen trui, ligt in bed. Naast haar staat een pakje drinkbare voeding. Daarnaast een kartonnen bakje waarin ze de voeding weer heeft uitgespuugd.

De arts: 'Bent u nu misselijk?' De vrouw: 'Als ik overeind kom wel.'

De arts: 'Ook duizelig?' De vrouw: 'Nee, niet duizelig.'

De arts: 'Dat is belangrijk om te weten. Dan zal ik u een medicijn voorschrijven dat de werking van de andere medicijnen ondersteunt. Heeft u ontlasting gehad?'

De vrouw: 'U zoekt naar een oorzaak van de misselijkheid?'

De arts: 'Die is me wel duidelijk. De darmen functioneren niet meer zo.' Hij vraagt haar of ze de pakjes nog verdraagt. Ze kan ook ophouden met drinken, als ze wil.

'Nee hoor', zegt de vrouw. 'Die pakjes wil ik wel. Ik doe het rustig aan. Als ik even wacht tot de medicijnen werken, gaat het best.'

'Het is goed zo', zegt de arts als hij de kamer uit is. Hij verwacht dat de vrouw steeds minder zal drinken en dan suf wordt. Als ze bang wordt of pijn krijgt, zal hij haar dormicum geven. Maar hij denkt niet dat het nodig is.

Feiten

In de zomer van 2003 kreeg Joan de Wijkerslooth de Weerdesteijn het rapport Medische besluitvorming aan het einde van het leven, waarin Gerrit van der Wal en anderen in opdracht van de overheid de Nederlandse euthanasiepraktijk evalueerden. De Wijkerslooth, toen nog voorzitter van het College van Procureurs-Generaal, las dat bijna de helft van de artsen die palliatieve sedatie toepasten dat niet alleen deden tegen de pijn, maar ook om patiënten eerder te laten doodgaan. Bij negentien procent van de artsen was dat het enige doel.

Een arts had een 82-jarige vrouw met epileptische aanvallen na een grote hersenbloeding zo veel anti-epilepticum gegeven dat ze in coma was geraakt. Daarna kreeg ze bijna geen vocht meer. Na een paar dagen overleed ze. Een andere arts had een 80-jarige man met kanker door zijn hele buik zo veel morfine gegeven dat die meteen overleed. De familie van de man en de collega's van de arts waren het er allemaal mee eens geweest om het zo te doen. De man was misselijk, hij braakte feces en had ondraaglijke pijn.

Dat kon niet, vond De Weerdesteijn. Dit was euthanasie, maar dan niet volgens de regels. Dit moest gemeld worden bij justitie. Artsen die dit deden, zei hij, zouden worden vervolgd voor moord.

En dat gebeurde ook. Er werd een voorbeeld gesteld met de arts-assistent Peter Vencken die een stervende patiënt dormicum had gegeven en volgens justitie zijn we er klaar voor? had gezegd. Vencken werd gearresteerd en negen dagen opgesloten. De rechtbank sprak hem vrij en het hof ook - in 2005. Deze week werd bekend dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg de klacht tegen hem bij het Centraal Medisch Tuchtcollege heeft ingetrokken. Maar de boodschap was duidelijk. Artsen moesten met elkaar afspreken wat palliatieve sedatie was en hoe ze het behoorden uit te voeren. Minister Donner van Justitie zei, in 2003, dat er een richtlijn moest komen.

Die is er nu. En ook de grootste voorstanders van de Euthanasiewet zijn er blij mee. Had die richtlijn er dan niet eerder moeten zijn? Ben Crul van Medisch Contact zegt van niet. 'De richtlijn is het gevolg van de discussie over euthanasie.' Er is geen land op de wereld, zegt hij, waar het nu allebei goed geregeld is. In Duitsland, waar sinds de Tweede Wereldoorlog nooit meer over euthanasie is gepraat, is geen regeling voor palliatieve sedatie. In Engeland, waar alleen over palliatieve sedatie mag worden gepraat, is geen regeling voor euthanasie. Artsen, zegt Ben Crul van Medisch Contact, passen daar euthanasie en palliatieve sedatie toe zonder controle van buiten.

Hoe nu te voorkomen dat wat palliatieve sedatie heet toch euthanasie is?

Ben Crul van Medisch Contact zegt: 'Dat is niet te voorkomen.'

Maar Johan Legemaate, jurist van de KNMG en een van de opstellers van de richtlijn, zegt: 'Als palliatieve sedatie geïndiceerd is en volgens de richtlijn wordt uitgevoerd, dan is het palliatieve sedatie en geen euthanasie. De bedoeling van artsen doet er dan niet toe. Het gaat erom hoe ze handelen.'

Dat zegt Joan de Wijkerslooth ook. Alleen de feiten tellen.

Rechterhand

Rob van Zoest, kunsthistoricus, heeft 21 jaar multiple sclerose. Hij kan alleen zijn hoofd nog bewegen, en zijn rechterhand - een beetje. Elke ochtend bij het wakker worden probeert hij of het nog lukt. Dat vertelde hij in november 2005. Hij heeft ervaren dat hij het moment van nu hoeft het niet meer steeds verschuift. Het leven, zegt hij, is de moeite waard. Hij werkt, hij woont mooi, hij heeft een goed huwelijk.

Maar het verhaal houdt een keer op. Als zijn rechterhand het ook niet meer zou doen en hij moet naar een verpleeghuis, dan kan hij zich voorstellen dat hij een 'actief besluit' neemt om ermee te stoppen. Vanzelf zal hij niet snel doodgaan. Hij is 53, zijn hart en zijn longen zijn sterk.

Ben Crul, de hoogleraar anesthesiologie uit het St. Radboud, blijft euthanasie 'vreselijk' vinden. Hij doet alsof iemand hem een injectie geeft, draait zijn ogen omhoog en zegt: 'Dood. Weg. En jij hebt het gedaan.' Maar iemand als Rob van Zoest, zegt hij, moet euthanasie kunnen krijgen. En ook bijvoorbeeld het meisje dat bij hem kwam met een ziekte waardoor ze haar armen en benen kwijtraakte. Op haar tweeëntwintigste was ze mismaakt en invalide. Ze had fantoompijn - onbehandelbare pijn aan ledematen die er niet meer zijn. Maar zij zou ook niet snel vanzelf doodgaan.

Relatief jonge mensen die ernstig ziek zijn, ondraaglijk lijden en weten dat ze nog lang te gaan hebben - bij hen, blijkt uit het deze week verschenen onderzoek van het Erasmus MC, het UMC Utrecht en het VU Medisch Centrum, wordt relatief het vaakst euthanasie toegepast.

Wordt euthanasie een uitzondering?

Johan Legemaate, de jurist van de KNMG, zegt dat het niet uit te sluiten valt. 'Straks mag het formeel nog wel, maar is het in de praktijk mogelijk steeds lastiger te krijgen.'

Hij is daar niet blij mee. En Ben Crul van Medisch Contact ook niet. Die zegt dat hij zelf nooit 'slapend naar de dood' zou willen gaan. Wat doen ze in die tussentijd met hem? En Gerrit van der Wal van het VUMC zegt: 'Om nou sociaal al dood te zijn, en iedereen om je heen zit te wachten tot je echt gaat - dan maar liever meteen dood. Ik zou het denk ik zelf in de hand willen houden.'

Wilt u reageren? Mail uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam
    • Jannetje Koelewijn