De Chinezen komen!

China moet helemaal niet investeren in fundamentele wetenschap. Een paar Chinese Nobelprijzen meer of minder is volstrekt onbelangrijk. Wat China nodig heeft, is een nieuwe Nintendo of een nieuwe Bill Gates.

Dit was onlangs de boodschap van C.N. 'Frank' Yang, een 84-jarige Chinees-Amerikaanse theoretisch fysicus, winnaar van de Nobelprijs (hoe kan het anders) en misschien wel de invloedrijkste wetenschapper in China van dit moment. Zijn mening kan niet zomaar worden afgedaan als de verstokte inzichten van een oude man. Wat is hier aan de hand?

De economische ontwikkelingen in China tarten iedere voorstelling. De afgelopen jaren lag het gemiddelde groeipercentage rond de 10%. Zo'n onstuimige groei is bijna onmogelijk te beheersen. Mijn favoriete beschrijving van de economische wetenschap is het besturen van een vrachtauto terwijl je in de achteruitkijkspiegel kijkt. In het geval van China is dit ook nog een zwaarbeladen tientonner met aanhanger, die zonder remmen een landweggetje afdendert. Voor de Chinese planeconomen achter het stuur doemt het spook op dat ook konijnenhouders en computerontwerpers wakker houdt: de exponentiële groei. Om de paar jaar verdubbelen gaat niet pijnloos, of het nu om langoorkonijnen, transistors op een chip of het bruto nationaal product gaat.

Laten we die exponentiële functie, welbekend van de Club van Rome, even illustreren met een krantenproefje. Hoe vaak denkt u deze pagina dubbel te kunnen vouwen? Vijf, tien, vijftien keer? Als u het gaat proberen - maar eerst even dit stukje uitlezen! - zult u ondervinden dat het bijna onmogelijk is om boven de zeven uit te komen. De exponentiële groei is een formidabele tegenstander, zelfs voor een origamikampioen. Stelt u zich maar eens voor: Als deze pagina tien keer zou zijn dubbelgevouwen, dan is het een boekje van postzegelformaat geworden met de dikte van 1024 pagina's - een behoorlijke pil, zeker voor lilliputters. Na 25 keer vouwen begint de stapel pagina's de hoogste bergtoppen te evenaren, na 50 keer is hij bij de zon aangekomen, en na het ogenschijnlijk zo bescheiden aantal van l00 keer dubbelvouwen heeft het krantenpropje de grens van het zichtbare heelal bereikt.

Terug naar de aarde en de voortdenderende Chinese economie. China heeft een duidelijke keuze gemaakt hoe in korte tijd een sterspeler in de wereld te worden: met enorme investeringen in technologie en een absoluut geloof in de vrije markt. Chinezen omarmen de zegeningen van het kapitalisme als geen ander land. In een recent onderzoek bleek het percentage van de bevolking dat de markteconomie als het beste systeem voor de toekomst van de wereld ziet, zelfs hoger te liggen in China (74%) dan in de Verenigde Staten (71%). Het arme Frankrijk, zo stevig in de greep van het antiglobalisme, bungelde met 36% helemaal onderaan dat lijstje.

Dit onvoorwaardelijke vertrouwen in de markt en alle nieuwe technologie vertaalt zich in concrete studiekeuzen. Chinese studenten stemmen met hun voeten en hun gestamp gaat als een aardbeving over de wereld. Vorig jaar studeerden in China zo'n 350.000 ingenieurs af. Dat is, afhankelijk van de precieze opvatting wat nu wel of niet een ingenieur is, drie tot vijf maal zoveel als in de Verenigde Staten. Die ingenieurs gaan ook allemaal aan het werk. In hoog tempo worden in China technologische instituten uit de grond gestampt. Ik hoorde over een rector van een Chinese universiteit, die als persoonlijk budget een paar honderd miljoen euro 'speelgeld' had gekregen voor één jaar. Steeds vaker worden succesvolle wetenschappers van Chinese afkomst verlokt hun laboratoria van Amerikaanse topuniversiteiten terug naar het moederland te verplaatsen.

De enorme investeringen in kennis en infrastructuur beginnen hun vruchten af te werpen. Chinese hightech-bedrijven manifesteren zich zelfbewust op het wereldtoneel. Voor velen kwam het als een complete verrassing toen een jaar geleden de computerproducent Lenovo (oorspronkelijk een initiatief van de Chinese Academie van Wetenschappen en nu de derde fabrikant in de wereld) de pc-divisie van het Amerikaanse IBM overnam-- een gebeurtenis die volgens sommige commentaren te vergelijken was met de lancering van de Russische Spoetnik in 1957. In de Verenigde Staten is dan ook de retoriek van de Koude Oorlog uit de mottenballen gehaald en wordt luid de reveille geblazen. Het gele gevaar komt dit keer alleen gewapend met een diploma en de missile gap is vervangen door een engineering gap. (Zo is Washington nu in rep en roer of Lenovo wel de beveiligde computers voor het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken mag leveren.)

Maar vormt dit nu werkelijk de enorme bedreiging voor de Westerse welvaart waarvoor velen waarschuwen? Gaat China (en in zijn kielzog India) met zijn legers van ingenieurs en technici het Westen binnenkort onder de voet lopen?

Er worden ook kritische kanttekeningen geplaatst bij al deze dreigende statistieken, juist door Chinese wetenschappers. Zij wijzen erop dat in vele vakgebieden nog weinig originele wetenschappelijke doorbraken worden behaald. De studenten zijn vaak schools en worden niet genoeg getraind om creatieve oplossingen te vinden. In de hiërarchische academische cultuur is het kritiseren van de instituutsdirecteur ongepast. Men heeft moeite met het idee van een open internationale evaluatie van onderzoeksvoorstellen. Veel van de in het buitenland werkende wetenschappers komen maar op parttimebasis terug en behouden hun comfortabele aanstellingen in het Westen. Sommige van die nieuwe laboratoria staan simpelweg leeg.

Dit alles roept de vraag op of het mogelijk is in China een werkelijk creatief en innovatief klimaat in wetenschap en industrie te scheppen, zonder daar vergaande maatschappelijke consequenties aan te verbinden. Hoe voorkom je dat de kritische geest, wanneer deze eenmaal is losgelaten in het laboratorium, uit de academische fles ontsnapt en zich ook met de politiek gaat bezighouden?

Vanuit dat perspectief zijn de opmerkingen van Yang, de grand old man van de Chinese wetenschap, goed te begrijpen, maar kortzichtig. Als China iets nodig heeft, is het fundamentele wetenschap. Want daarmee leer je onafhankelijk denken waarderen en ontwikkel je de technologie van de toekomst. De aanbevelingen van Yang staan ook loodrecht op zijn eigen ervaringen, althans als jonge man. Want waar heeft hij zijn Nobelprijs aan verdiend?

Laten we een tweede gedachteproefje doen. Kijkt u eens in de spiegel. Stel dat u door die glasplaat heen zou kunnen stappen, net als Alice in Through the Looking-Glass. Zou u die spiegelwereld kunnen onderscheiden van de werkelijkheid? Natuurlijk ziet het er daar allemaal vreemd en verwarrend uit. De woorden staan in spiegelbeeld, men rijdt opeens links, en alle klokken, melkzuren en DNA-spiralen draaien de verkeerde kant op. Onbekend, zeker. Maar is het ook onmogelijk? Deze spiegelwereld lijkt heel goed te kunnen bestaan, zo niet op aarde, dan wel in een ver sterrenstelsel. Want de natuur is in wezen onpartijdig: niet linksdraaiend en niet rechtsdraaiend.

Dat dacht in ieder geval iedereen, toen Yang en zijn collega T.D. Lee (toen pas 34 en 30 jaar oud) met het briljante idee kwamen dat elementaire deeltjes wél een voorkeursrichting hebben. Met een deeltjesversneller zou Alice wél in staat zijn de spiegelwereld van de echte wereld te onderscheiden. Na een paar maanden wist een ingenieus experiment hun theorie te bevestigen. De natuur bleek zowaar linkshandig. Het jaar daarop (in 1957, jawel, het jaar van de Spoetnik) werd hun de Nobelprijs toegekend - een van de snelste toekenningen in de geschiedenis van die prijs.

Die prestatie van Yang en Lee is een goed voorbeeld van de kracht van het 'buiten de doos denken'. Ze zagen iets, dat al die tijd voor iedereen zichtbaar was geweest, maar dat in de blinde vlek van het groepsdenken zat.

Misschien ligt hier een les, voor het Oosten én voor het Westen. Een onafhankelijke en kritische instelling is een van de moeizaam verkregen verworvenheden van onze cultuur, en dan kijk ik nadrukkelijk verder dan de academische wereld. Je kunt nog zoveel legers ingenieurs opleiden, uiteindelijk moet al die harde technologie gecombineerd worden met creatieve ideeën om de volgende stap te maken en aantrekkelijke toepassingen te bedenken. Het laatste waar de wereld op zit te wachten is een maoïstische variant van Bill Gates met nog meer monopoliedenken en technologische eenheidsworstfabrieken.

Nee, laat die honderdduizenden Chinese ingenieurs hier gerust komen. We zullen ze begroeten met cursussen creativiteit en mooie wetenschap. Zoals Yang ons leerde, geeft de voorruit de beste visie op de werkelijkheid, niet de achteruitkijkspiegel.

En nu mag u vouwen!