De aanhouder heeft gewonnen

Toen Peter Pieters bondscoach werd, was het baanwielrennen in Nederland op sterven na dood. Nu hoort Nederland bij de wereldtop. Bezeten van de baan: Pieters ziet alles, hoort alles, weet alles.

Peter Pieters: ‘Theo Bos is het uithangbord.’ Foto Cor Vos Bordeaux - Frankrijk - wielrennen -cycling - cyclisme - radsport - Bahn-WM - WK Baan - WC Track - Peter Pieters (baancoach) - foto Cor Vos ©2006 Vos, Cor

Wielerroem is vergankelijk. Peter Pieters ondervond dat pas nog, op de wielerbaan in Sloten. Hetzelfde baantje waarover hij jarenlang moederziel alleen zijn trainingsrondjes reed, simpelweg omdat hij zo'n beetje de enige baanwielrenner in Nederland was. Tenzij het regende, want een overkapping had Sloten toen nog niet. Laatst was Pieters aanwezig bij de baantraining van zijn zoon, die werd afgesloten met een korte koppelkoers. Eén jongen bleef over, van een jaar of zeventien. Peter Pieters mag graag zelf nog even op de fiets stappen, dus hij bood zich aan als invaller. Waarop de jongen argwanend vroeg: 'Maar héb je wel eens gefietst?'

Oudere generaties herinneren zich de uit Zwanenburg afkomstige Peter Pieters (44) vaak nog wel, vooral als de wielrenner die alles reed, binnen en buiten. De grote klassiekers, maar ook de koppelkoers, achter de derny, de achtervolging. Zijn ogen gaan glinsteren als hij over de baan spreekt, maar na lang aarzelen moet hij bekennen dat zijn overwinning in de klassieker Parijs-Tours (1988) waarschijnlijk wel zijn mooiste was. En het Nederlands kampioenschap op de weg, in hetzelfde jaar, na een sprint met Adri van der Poel. 'Je had heel veel goede Nederlandse wegrenners, er werden veel klassiekers gewonnen. Je had Jelle Nijdam, Teun van Vliet, Jean-Paul van Poppel, Steven Rooks, Erik Breukink, Frans Maassen, Adri van der Poel, dus een tweede plaats in de Omloop Het Volk of een vierde plek in Parijs-Roubaix viel toen niet zo op.'

Maar elke keer keerde Pieters weer terug naar de baan, ook al ontbreekt daar de heroïek die zo kenmerkend is voor de Tour de France en de klassiekers, met kou, regen, kasseien, bergen en tegenwind. 'Mensen vinden Parijs-Roubaix het mooiste om naar te kijken, veel smerigheid, valpartijen. Maar als renner is dat verschrikkelijk.'

Fietsen op de baan geeft een andere 'kick', zegt Pieters. 'Met 60 kilometer per uur door een bocht knallen. In de baan zit alles: snelheid, je tegenstander beloeren, net een duizendste seconde eerder reageren. Tactiek is schitterend, een kat- en muisspel, wéten wanneer je moet gaan. De jongens in de ploegachtervolging hebben een ongelooflijk tempogevoel: ze rijden zestien rondjes met 55 of 60 kilometer per uur - en er zit geen tiende seconden verschil in. Het is echt sport op het hoogste niveau. Dat vereist ongelooflijk veel training. De coördinatie is zoveel fijner dan op de weg. Je rijdt met een vaste versnelling, dus als je harder wilt moet je harder trappen. Op de weg kun je met een zwaardere versnelling gaan rijden. Iemand die heel sterk is, maar niet kan fietsen, kan op de weg nog heel goed meekomen. Op de baan niet. Je moet zo'n hoge trapfrequentie halen, zó sterk zijn, zó goed kunnen sturen, op de millimeter nauwkeurig. Het is allemaal techniek. Jonge renners moeten eigenlijk op de baan beginnen.'

Maar in het baanwielrennen viel al in de actieve carrière van Pieters nauwelijks geld te verdienen, zeker vergeleken met de profs op de weg. 'Als ik naar de WK op de baan wilde, dan belde ik de bond en dan zeiden ze: 'ok, we betalen je hotel. Kijk maar hoe je er komt'. Ik trainde alleen. Er was nauwelijks belangstelling voor de baan. Het niveau was laag.'

Toen Pieters in 1998 zijn fiets aan de kant zette was hij 37, al was hij 'nationaal nog veruit de beste op de baan'.

Maar, typerend voor zijn passie en zijn gedrevenheid, Pieters bood zich bij de wielerbond aan als bondscoach. 'Ik vond het onbegrijpelijk dat er nauwelijks meer Nederlandse baanrenners meededen aan de grote toernooien.'

Pieters begon bijna op nul - nagenoeg zonder renners, zonder wielerbanen en met weinig geld. Hij ging bellen met wegrenners in wie hij potentiële baanrenners zag. Hij ging scouten, bij elke wedstrijd, overal was hij bij - ook al omdat zijn zoon van 17 en zijn dochter van 15 in de voetsporen van hun vader proberen te treden. Beiden rijden zowel op de baan als op de weg. 'Iedereen die in Nederland op de baan fietst ken ik al vanaf zijn achtste. Ik zie alle baanwedstrijden. Ik kom nooit iemand tegen die ik nog nooit heb zien fietsen.'

Scouten is juist de grote kwaliteit van Pieters, zeggen coaches van grote 'baanlanden' als Australië en Groot-Brittannië. Niet iedereen is geschikt voor de baan. 'Ik kijk niet naar de uitslagen', zegt Pieters. 'Dat zegt me niks. Ik kijk naar hoe ze fietsen, hoe iemand beweegt. Sterker worden gebeurt later. Bij het sprinten is het moeilijker de besten eruit te halen. Die zie je zelden rijden. Clubrijders die nooit prijzen winnen, zijn misschien perfecte sprinters. Dat is heel vreemd, maar die jongens komen nooit voor in de uitslagen. Soms heb je een jongen in je club, die heel hard kan aanzetten, maar die misschien nooit aan het end komt, omdat de koers te lang is. Dan gaat het plezier voor zo'n jongen verloren. Ik denk dat er heel veel talent verloren gaat. Als er meer banen komen, dan ga je ze wel zien. Ik ben er van overtuigd dat er veel meer sprinters zijn in Nederland.'

Pieters voelde zich de eerste jaren als Don Quichotte, eenzaam strijdend voor een sport waar niemand brood in zag. Maar vanaf 2000 kwamen de eerste positieve signalen. Leontien van Moorsel trok de kar in Sydney, met een gouden medaille. En er kwam een nieuwe generatie bij de mannen aan. Pieters: 'We hadden geluk dat we Theo Bos ontdekten en dat we een talent als Teun Mulder hebben. Dat is deels geluk, maar we hadden ook de voorwaarden gecreëerd, want als die niet goed zijn gaan ze iets anders doen.'

Pieters ging regelmatige baantrainingen organiseren, zorgde voor mecaniciens, voor beter materiaal. Er kwam een nieuwe baan in Alkmaar, zodat de renners niet meer naar Duitsland hoefden om zich op een groot toernooi voor te bereiden. Vorig jaar werd een professionele krachttrainer aangesteld voor de sprinters. Die deden hun krachttrainingen tot die tijd zelf, ongestructureerd, met als gevolg overbelasting, pijntjes, blessures. Geld komt vooral van sportkoepel NOC*NSF. 'Daar tellen ze gewoon medailles: hoe meer kandidaten, des te meer geld je krijgt. We hadden altijd hele beperkte middelen, maar de laatste twee, drie jaar wordt het beter.'

In 2004 kwam de kentering, met het zilver voor Theo Bos in Athene als beste bewijs. 'Theo is het uithangbord', zegt Pieters. 'Zoals Leontien. Als zij gereden had gingen de journalisten weg. De jongeren stoorden zich daar aan. Nu is dat anders.'

Zo werd Pieters vorig jaar gebeld door de NOS, met de vraag welke tv-uren de omroep moest inkopen voor de WK baan in Los Angeles. Pieters: 'Ik liep het hele rijtje met Nederlandse kanshebbers langs, maar de uitzending werd steeds duurder. Uiteindelijk wonnen we acht medailles, meer dan we zelf hadden verwacht.'

Ook deze week in Bordeaux zijn eigenlijk alle Nederlandse deelnemers kanshebbers op een medaille. Pieters merkt dat ook aan de tegenstanders. 'Vroeger kregen we nog wel eens technische aanwijzingen. Bijvoorbeeld een Duitse mekanieker die zei: 'je moet dat stuur wat lager zetten.' Dat gebeurt niet meer, we zijn de grootste concurrent. Maar in het baanwielrennen bestaat nog veel collegialiteit, het is een apart wereldje, socialer dan de weg. Wij nemen bijvoorbeeld voor de Amerikanen rollerbanken mee hiernaartoe, om op te trainen, zodat zij dat niet hoeven te verschepen. Als wij daarheen gaan is één telefoontje genoeg. Op de baan is het keihard, maar er is geen afgunst. Als iemand beter is, klaar.'

Toch blijft de weg het hogere doel van veel baanrenners. Want daar ligt nog steeds het geld. Theo Bos moet bijverdienen in het Japanse keirin-seizoen, het koppel Danny Stam en Robert Slippens hebben de zesdaagsen waar ze een goede boterham verdienen. 'Maar op de weg kunnen ze veel meer verdienen', zegt Pieters. 'Ik denk dat ik na Peking 2008 een groot gedeelte kwijt ben. Het zijn toch een beetje idealisten, op de baan. Amateurs die voor de roem gaan.'

Maar de meeste baanrenners hebben al veel ervaring opgedaan op de weg. En gewonnen. 'Deze jongens rijden alles ondersteboven, ook op de weg. Peter Schep, Wim Stroetinga, Jens Mouris, Niki Terpstra, ze draaien echt met de besten mee. Ze zitten op de rand: eigenlijk moeten ze beroepsrenners zijn. Maar ze vinden de combinatie van baan en weg leuk.'

Pieters heeft inmiddels een infrastructuur voor de renners ontworpen waarmee hij verder kan. 'Als ik zo had kunnen trainen als deze jongens, was ik enkele keren wereldkampioen geweest. De trainingsomstandigheden zijn nu ideaal, ze hebben het beste materiaal. Wij hadden geen geld. Ik vind dat wel eens jammer. Het is toch veel mooier om met een groep wereldtoppers te trainen, zoals deze jongens?'

En de huidige generatie verkeert in de luxe positie dat er een coach is die de werelden van de baan en de weg kent als zijn broekzak. Een coach die vertelt wat er met de benen gebeurt als een wielrenner na het baanseizoen de weg opgaat, en andersom. 'Dat is loodzwaar. Als deze jongens morgen de weg op gaan, komen ze niet vooruit. Dat geeft niet, maar het duurt een paar weken. Ze rijden op de banen korte afstanden, hoge snelheden. Dan gebruik je hele andere energiesystemen dan op de weg. Maar als niemand je dat vertelt, denk je: wat is er met mijn benen aan de hand? Nu weten ze dat alle baanrenners dat hebben, dat ze daar doorheen moeten bijten. Ik wist dat vroeger niet, niemand vertelde mij dat. Ik dacht dat ik uit vorm was.'

Maar ze moeten nog steeds zelf de prestaties leveren, vindt Pieters. En daar kan de bondscoach soms hard in zijn. 'We hebben weinig afvallers, maar als je het niveau niet haalt, val je af. Dan is het bikkelhard. Ik ben wel eens hard. Als iemand z'n best maar doet mag ie van mij laatste worden. Iemand die er met de pet naar gooit, of niet luistert, laat ik vallen. Er zijn genoeg anderen. Maar deze groep is ijverig, sommigen moet je afremmen. Welke jongen gaat alleen trainen op de baan? Theo Bos is van maandag tot en met vrijdag op de baan. Hij wil maar één ding: olympisch kampioen worden. Dat zit in de familie. Daar wijkt alles voor. Ik geef hem daarom ook de vrijheid. Hij is ongelooflijk gedreven, hij weet precies wat hij wil. Je moet een renner een eigen verantwoordelijkheid geven, en vanaf de zijlijn blijven volgen.'

    • Rob Schoof