Beestjes

Een studente geneeskunde doet onder pseudoniem verslag van haar stage. Vandaag: gekkenwerk.

'Leeft die Van Putten eigenlijk nog?' Acht huisartsen draaien zich naar Jacco Peters om. 'Zijn longen zitten vol metastasen', knikt deze. 'Maar hij wil niet naar het ziekenhuis. Ik ga twee keer per week langs. Het is een aflopende zaak.'

We zitten in het dorpsrestaurant voor de wekelijkse lunchbespreking van de huisartsengroep. Ze nemen dan de 'probleemgevallen' door: welke patiënten zijn ziek? Wie staat op bevallen? Waar moeten de dienstdoende artsen op letten? Ik kijk de ruimte rond. Houten vloer, kachel in de hoek. Aan de muur hangen jachtschilderijen en opgezette beesten. Kipkerrie of zalm? Tevreden zoek ik een broodje uit.

Een uur later zit ik naast Jacco in zijn grijze bestelbusje. Bij het kanaal nemen we het trekveer.

'Terminale dikke darmkanker', legt Jacco me uit. 'Ergens is het gekkenwerk. Hij staat verschrikkelijk wankel op zijn benen, en als hij omvalt kan zíj hem al helemaal niet opvangen.'

'Maar kan hij dan niet...' Jacco schudt zijn hoofd. 'Ze wonen al vijftig jaar samen op deze boerderij. En ze zijn vastbesloten ook die laatste maanden vol te maken.'

Op het grindpad komt mevrouw Van Putten ons tegemoet gelopen. 'Hij is hélemaal de weg kwijt', zegt ze haastig. 'Vanmorgen was er niets aan de hand. Maar vanmiddag begon hij plotseling een warrig verhaal over een overstroming, een leger waterdruppels dat hem wilde aanvallen of zoiets.' Ze werpt een blik op de deur en fluistert dan: 'Dokter... Kan het dat die kanker ook in zijn hóofd zit?'

Jacco schudt zijn hoofd. 'Zoiets zou geleidelijker gaan. Maar laten we geen voorbarige conclusies trekken. Heeft hij koorts?' Mevrouw knikt. 'Hij gloeit.'

'Peters!' klinkt het schor vanuit de slaapkamer. Moeizaam krabbelt meneer Van Putten overeind in zijn bed. Zijn gezicht is grauw, en diep in de donkere oogkassen glinsteren zijn groene ogen. Ik staar naar zijn handen. Ooit moeten dat kolenschoppen zijn geweest: eeltige, verweerde boerenhanden. Nu plukken ze slap en mager aan het laken.

'Leuk dat je er bent, vent', grijnst Van Putten. 'Al hebben we eigenlijk een loodgieter nodig. Of een onkruidverdelger.' Hij lacht een piepend lachje. 'Want het zit hier vol beestjes. Van die rottige kriebelende waterdruppels. Ik zou ze graag zelf vangen, maar...' Zijn zin verzandt in een hoestpartij. 'Dat hoeft heus niet', zegt zijn vrouw, terwijl ze hem op de rug slaat. Geroutineerd pakt ze een bakje vanonder het bed en houdt het onder zijn kin. 'Spuug maar, schat.'

Jacco onderzoekt meneer Van Putten, en zegt dan. 'U heeft een longontsteking. En gek genoeg verklaart dat ook die waterdruppels. Ik schrijf u antibiotica voor, en geef er wat bij tegen die beestjes.'

Als we weer op het pontje staan, zegt Jacco. 'Hij heeft een delier. Dat ontstaat bij oudere of verzwakte mensen vaak als gevolg van een long- of blaasontsteking. We behandelen de lichamelijke oorzaak, en geven een antipsychoticum. Daarnaast is een constante omgeving van 'structuur, rust en regelmaat' van belang.'

'Maar kunnen we hem niet beter opnemen? Dit is voor mevrouw toch ook geen doen?' vraag ik. Jacco schiet in de lach: 'Ben je gek? Wou je hem nú uit zijn omgeving halen? Zodra hij in het ziekenhuis aankomt, verzuipt die man!'

    • Anne Hermans