Wapenstok als kunstwerk

Vorige week dacht ik eindelijk een glimp op te vangen van cultureel-filosofische dromerijen in het jongerenprotest van de afgelopen weken in Frankrijk. “Vrees niet meer“, stond er op het bord van een falanxje demonstranten in de Bretonse stad Rennes. “Besta!“

Aha. Ik maakte me meteen op om deze denkers-op-straat te gaan vragen hoe het een zonder het ander moest. Dat leek me wel een cruciale vraag voor de Génération Précaire - immers nogal eens omschreven als het schrikachtige tegendeel van de hemelbestormers van 1968.

Maar nog voor ik ze had bereikt, hief het groepje een spreekkoor aan. “Weg met de regering-Jospin!“ (1997-2002). En tien meter verder: “De pensioenleeftijd naar 25 jaar!“ Toen ze ook nog begonnen te lachen om hun eigen vindingrijkheid, wist ik genoeg. Lolbroeken. Of volgelingen misschien van de hedonist Michel Onfray, die in het naburige Caen een volksuniversiteit is begonnen. Maar geen producenten van hedendaagse vergezichten.

De jongste Franse protestgeneratie blinkt nog niet uit in het overstijgen van zichzelf. Weliswaar werd grêve générale per sticker poëtisch afgezwakt tot rêve général. Maar de meeste demonstranten kwamen niet verder dan geijkt tromgeroffel en een dansje waarmee ze ook veel over zichzelf zeiden: “Een pasje vooruit/en dan twee naar achteren/dat is de politiek/van onze regering.“ Later radicaliseerden ze naar een vooruit en dríe naar achteren.

Ik moest dus ergens anders gaan zoeken. Terug in Parijs, op naar de Avenue du Président Wilson, Palais de Tokyo. Daar loopt nog tot 25 mei (verlengd) een tentoonstelling van 29 kunstenaars, de meesten tussen dertig en veertig jaar, gepresenteerd als de “opkomende scene in de Franse kunst“. Niet allemaal Fransen, maar ze wonen wel allemaal in Parijs. Volgens Philippe Dagen, de criticus van Le Monde, bewijst deze expositie dat er op artistiek gebied nog wel degelijk wat gebeurt in Parijs. Sterker: de toekomst van de Franse kunst is verzekerd door deze nieuwe garde, die realisme en betrokkenheid bij de wereld voorop stellen.

Voor ik naar binnen stap wapen ik mij met wantrouwen. Generaties benoemen is al een valkuil, zeker als er ook vijftigers als de Chinese Fransman Wang Du en de surrealisme-epigoon Arnaud Labelle-Rojoux meedoen. En afzonderlijke werken aanzien voor de uitdrukking van een collectieve stemming is zeker ook een valkuil.

Aan de andere kant: de samenstellers maken het er wel naar. Notre Histoire, hebben Nicolas Bourriaud en Jérôme Sans de tentoonstelling genoemd. Deels een verwijzing naar zichzelf, want dit is de afscheidstentoonstelling van dit duo, dat het Palais de Tokyo de laatste jaren een van de meeste bezochte centra van hedendaagse kunst maakte. Maar Notre Histoire wil meer zijn dan een bloemlezing van hun keuzes van de afgelopen jaren. Het is een “grammatica“ van de moderne wereld. Een geschiedenis die gemaakt wordt, nu en hier. Door kunstenaars die “van binnenuit meewerken aan de uitwerking van de Franse samenleving.“ En, kijk aan: “Ze reageren niet op de wereld, maar geven er perspectief aan.“

Dat laatste blijkt onmiddellijk een sofisme. Ik stuit juist op een aaneenschakeling van reactieve werken. Laurent Grasso belooft ons een wolk vervuilde lucht in de Parijse straten. Maar als je de tunnel inloopt naar zijn filmscherm, blijkt deze wolk ook een narollertje van de New Yorkse WTC-torens te kunnen zijn. De Franse relschoppers van vorig jaar zijn present met 96 briefkaarten die bewoners van de voorsteden vorige herfst hebben ingeleverd bij Barthélémy Toguo. Hij heeft de kaarten ingelijst aan het eind van een “jardin intime', waarin beelden van “excessen van plezier' geleidelijk plaatsmaken voor pijn en afschuw.

En daar is Kader Attia, vorig jaar op de Biennale van Lyon de ster met een immense kooi vol duiven die hun voer pikten uit kinderbeelden van macaroni. Hier toont hij een compositie van wapenstokken van de Franse oproerpolitie - een “Arabesque' dat hij zelf “halverwege Mondriaan en het labyrint van Borges' situeert.

Als er een band is met de demonstraties van de afgelopen weken, dan is het dat deze “opkomende' kunstenaars nergens de indruk wekken dat je de wereld nog kan domineren, onder controle brengen. Bijna elke installatie, beeld, schildering is kunst vanuit de zijlijn. Deze werken moeten het hebben van - al dan niet subtiele - verschuivingen in perspectief. Ze zijn geen zoektocht naar essenties, of achterliggende werkelijkheden, maar een overlevingsstrategie. Kan je nog je eigen ervaring bepalen, in een veelheid van dwingende structuren, van markt, media en onomstotelijke kennis?

Bij het antwoord zijn alle middelen geoorloofd - de meesten werken multidisciplinair. Zelfs demonstreren mag. In een film van de Roemeen Mircea Cantor trekt een groep demonstranten met spiegels door een stad. Een duizelingwekkende compositie van kleuren, fragmenten van huizen, gras, lucht, auto's danst twintig minuten lang voorbij, zonder dwingende betekenis. In 2004 werd deze film op de Biennale in Berlijn al ontvangen als een ode aan Tirana. In Parijs maakt het niet zoveel meer uit om welke stad het gaat: dit is demonstreren tegen wat vast staat, en vóór een eigen manier van kijken. Als er een nieuwe revolutie komt, zal die bescheiden zijn.

    • René Moerland