Viktor Orbán blufte, en gokte mis

De conservatieve oppositie in Hongarije gaat stuurloos de tweede verkiezingsronde in. Haar kandidaatpremier Viktor Orbán blufte, gokte en gokte mis. De socialisten leunen tevreden achterover.

Met nog een tweede verkiezingsronde te gaan tekent zich in de Hongaarse politiek een drama af. En het is niet de eerste de beste wiens positie wankelt: Viktor Orbán, leider van de centrumrechtse oppositiepartij Fidesz, maakt een vrije val waarvoor hij grotendeels zelf verantwoordelijk is.

Op 23 april is de tweede verkiezingsronde. Krijgt de huidige coalitieregering van de socialisten (MSzP) en liberalen (SzDSz) een tweede termijn? Zij kwamen uit de eerste ronde met respectievelijk 43,2 en 6,5 procent van de stemmen - net niet genoeg voor een gezamenlijke meerderheid in het parlement, maar de uitslag wordt door analisten gezien als een steunbetuiging.

Of is er nog een verrassing op komst, en maakt Orbáns Fidesz alsnog een kans? De partij bleef steken op 42,03 procent. “Maar we hebben nog niet verloren“, was de eerste reactie van Orbán op zijn minieme verlies. In de beslissende tweede ronde gaat het om de winst in 109 van de in totaal 176 kiesdistricten waar tijdens de eerste ronde niemand een absolute meerderheid behaalde.

Orbán sloeg de afgelopen dagen aan het rekenen en concludeerde: het kán nog, mits we samenwerking zoeken met die andere conservatieve oppositiepartij, het Hongaars Democratisch Forum (MDF), dat tegen alle verwachtingen in nipt de kiesdrempel van 5 procent overschreed en daarmee een sleutelrol in het verdere verloop van de verkiezingen speelt. Het is de enige conservatieve bondgenoot van Fidesz. Zonder MDF lijkt Fidesz kansloos.

Maar warm zijn de betrekkingen tussen beide partijen allerminst. Integendeel zelfs. Maanden geleden al brak er een rel los over MDF-kandidaten die in hun kiesdistricten door tegenstrevers van Fidesz werden verzocht om zich terug te trekken, in ruil voor geld. MDF-leider Ibolya Dávid was furieus en wees op voorhand elke toekomstige samenwerking met Orbán af.

Orbán nam de afwijzing niet al te serieus. Na de eerste ronde van de verkiezingen zocht hij toenadering tot het MDF. Zelfs toonde hij zich bereid om zich terug te trekken als kandidaat-premier en stelde hij voor een MDF'er als gezamenlijke kandidaat-premier naar voren te schuiven: Péter Ákos Bod, ex-voorzitter van de Centrale Bank.

De knieval wordt door de Hongaarse kranten omschreven als “de grootste gok uit Orbáns loopbaan'. En de gok pakte nog verkeerd uit ook, want het vernietigende antwoord van MDF-leider Dávid liet niet lang op zich wachten. Ze hielp hem uit de droom: “Het gaat mij niet om personen maar om principes“, schreef ze in een brief aan Orbán. Ze bestempelde het politieke programma van Fidesz als “een tweede Mohács“ voor Hongarije. In 1526 verloor het Hongaarse leger bij het Zuid-Hongaarse Mohács de belangrijkste veldslag uit zijn geschiedenis, tegen de Turken. De slag was het begin van een Ottomaanse overheersing die 160 jaar zou duren. Een grovere belediging aan het adres van Orbán, die zich graag als patriot profileert, had Dávid niet kunnen maken.

Dávid heeft er geen vertrouwen in dat Fidesz bereid is om de in haar ogen onhaalbare verkiezingsbeloften in te trekken. Fidesz heeft volgens David geen oplossing voor Hongarije's grootste probleem, het exorbitant hoge begrotingstekort van 1,3 miljard euro. Erger: Fidesz belooft de kiezer een korting op de bijdrage aan sociale voorzieningen, het verhogen van het minimumloon en het inperken van de invloed van buitenlandse bedrijven in Hongarije. Als al die beloften zouden worden gerealiseerd, zou het begrotingstekort verdrievoudigen - terwijl het met zes procent van het bnp nu al veel te hoog is. Die programmapunten moeten overboord, wil Fidesz een kans maken op samenwerking met het MDF.

Met haar antwoord op Orbáns aanbod heeft Dávid haar MDF weer terug op de kaart gezet. Bij de eerste vrije verkiezingen in 1990 bundelden zich in de nieuwe partij MDF veel van de intellectuele krachten die hadden geijverd voor de omverwerping van het communisme. Het MDF kreeg het eerste regeringsmandaat in het nieuwe Hongarije. Maar halverwege de jaren negentig, na de dood van premier József Antall, oprichter en leider van het MDF, slonk de invloed van de partij en was ze gedwongen om samen te werken met Fidesz, toen nog een revolutionaire politieke beweging, opgericht in 1988, nog voor de val van het communisme.

Fidesz en MDF regeerden samen van 1998 tot 2002, maar verloren in 2002 de verkiezingen, waarna MDF zich weer losweekte. De in toenemende mate populistische en xenofobe toon die Orbán aan ging slaan, was Dávid een doorn in het oog.

Als conservatief splinterpartijtje leek het MDF afgeschreven, maar deze verkiezingen vormen het bewijs dat er méér Hongaren zijn die om dezelfde redenen Fidesz in de steek laten. Die kiezers steunden dit keer niet Fidesz, maar het MDF.

Over de politieke toekomst van Orbán wordt nu druk gespeculeerd. “Hij is de man van het verleden“, schrijft het links-gezinde dagblad Népszabadság hoopvol. De conclusie van het conservatieve dagblad Magyar Nemzet komt dicht in de buurt. “We staan er helemaal alleen voor“, schreef de krant al vóór de eerste verkiezingsronde, verwijzend naar de ruzie met Orbáns laatste bondgenoot, het MDF.

Stuurloos gaat Fidesz nu de tweede verkiezingsronde in. En de regerende socialisten en liberalen leunen behoedzaam, maar tevreden achterover.