Theatersteden in het groen

Honderdtwee werd Hendrik Wijdeveld. Het grootste deel van zijn lange leven werkte hij als grafisch vormgever, tijdschriftredacteur, ontwerper van meubels en andere huisraad, docent en, eerst en vooral, als architect. Maar ondanks zijn mooie, en door zijn lange, werkzame leven ook omvangrijke oeuvre heeft hij nog altijd niet een behoorlijke monografie. Dat ligt vooral aan zijn reputatie als weinig standvastig architect die meeliep met de heersende modes, van Amsterdamse School tot het Nieuwe Bouwen. Hendrik Wijdeveld (1885-1987) staat niet bekend als een vernieuwer en, hoe ten onrechte ook, de geschiedenis is nu eenmaal wreed voor eclectici. Ze mogen niet rekenen op veel aandacht van historici.

Ook Ontwerp het onmogelijke, het boek dat hoort bij de gelijknamige grote tentoonstelling die tot en met 21 mei in het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) in Rotterdam is te zien, is niet het grote, alomvattende boek geworden dat Wijdeveld verdient. Het is een bescheiden uitgave, die zich, net als de expositie, hoofdzakelijk concentreert op de utopische stedenbouwkundige ontwerpen van Wijdeveld. De paradox van het boekje, dat grotendeels bestaat uit reproducties van Wijdevelds schitterende tekeningen, is dat het het werk van Wijdeveld in weerwil van zijn repuatie wél presenteert als baanbrekend. In een kort essay laat NAi-conservator Jean- Paul Baeten zien dat bijvoorbeeld Wijdevelds uitbreidingsplan voor Amsterdam uit 1920 niets minder dan visionair was. Als het aan Wijdeveld had gelegen, waren vanuit het oude Amsterdam brede radiaalwegen aangelegd, waarlangs vrijstaande hoge woontorens stonden.

Baeten laat zien welke invloeden bij Wijdevelds utopieën een rol speelden, zoals de theosofische ontwerpopvattingen van De Bazel en Lauweriks, het idee van de Stadtkrone van Duitse expressionisten en het “organische modernisme' van de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright. Van deze bekende ingrediënten maakte Wijdeveld een eigen theatrale stedenbouw, waarin de stad als Gesamtkunstwerk de bevolking moest verheffen.

Baeten stelt Wijdevelds theatrale stad tegenover de Ville Radieuse, de utopische nieuwe stad die Le Corbusier een paar jaar later dan Wijdeveld zou ontwerpen en die grote invloed zou hebben op de 20ste-eeuwse stedenbouw. Terwijl het overvloedige groen in Le Corbusiers stad zonder betekenis bleef, schrijft Baeten, was Wijdevelds stad een “synthese van natuur en cultuur'. Le Corbusiers stad was een geperfectioneerde “productie- en consumptiemachine', vindt Baeten, die van Wijdeveld “een totaaltheater, een visuele strategie van kijken en bekeken worden.'

Van Ontwerp het onmogelijke gaat sterk de suggestie uit dat Wijdevelds theatrale stedenbouw nog altijd, of opnieuw, actueel is in het begin van de 21ste eeuw, het digitale tijdperk waarin de wereld, zoals Wijdeveld verwachtte, veelal vanuit de auto wordt bekeken. Het is daarom jammer dat het boek zo bescheiden is gebleven. Baeten levert in zijn essay in ieder geval de rechtvaardiging voor het dikke, alomvattende boek over Wijdeveld dat hij niet schreef.

    • Bernard Hulsman