Terwijl ik de volgende fles opentrok, viel mij opeens weer het bezoek van dat artistieke wijf in gedachten, dat indertijd met een cineast of fotograaf was meegekomen; dat op karton schilderde, ‘heel goed verkocht maar er nooit moeite voor deed’ en dat, n

Ik kan natuurlijk een droevige poëtische zin uitzoeken, waarin Reve voor de Dood uitrent, ademloos, of huivert van angst bij het aanschouwen van Gods gruwelijke majesteit, maar mijn oudste bewondering als zestienjarige gold toch de zinnen die mij op de grond deden rollen van het lachen.

Met de korte novelle Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor arbeiders verklaard bevindt Reve zich op het toppunt van zijn barokke periode (1962-1970) waarin hij lange, alle kanten op waaiende zinnen schrijft, onverwachts schakelend tussen zijn vele verschillende registers; plechtstatig, grappig, woedend, grof, poëtisch, plat, ironisch populair. Deze zin bevat een typische Reve-scène: de schrijver zit mijmerend te drinken onder keukenlicht en herinnert zich met grote woede of droefheid sombere scènes uit het verleden. In Veertien etsen richt zijn woede zich vooral tegen talentloze kunstenaars en intellectuelen. Opmerkelijk aan deze zin is de opspelende afkeer uit zijn rode jeugd van de hogere klasse en hun neerbuigende houding jegens arbeiders.

Ik kom het beschreven soort artistieke vrouwen soms tegen, en weet mijn afkeer dan te bezweren door grijnzend aan Reves magistrale en tot de verbeelding sprekende belediging te denken.