Strenge avant-garde wordt charmant in Van Abbe

Geëngageerde kunst is van alle tijden, maar er was een tijd dat kunstenaars nog in echt grootse utopieën geloofden. Begin vorige eeuw buitelden de politieke en artistieke -ismes over elkaar heen. El Lissitzky en zijn progressieve kunstenaarsvrienden zoals Moholy Nagy gingen vastberaden de wereld verbeteren. Hun revolutionaire abstracties straalden een en al vooruitgang uit. In 1931 kwamen ze bij elkaar voor een avant-gardetentoonstelling in Polen. Russische constructivisten maar ook Nederlandse exposanten zoals Theo van Doesburg stonden op de opening ernstig te kijken bij hun al even strenge kunstwerken.

Dorota Jurczak, ‘Ptak Medusa’ (2004)

Dat blijkt uit archiefmateriaal op een presentatie in het Van Abbemuseum. Foto's en brochures van de opening van het Van Abbe in 1936 laten er ook zien hoe nota belen en industriëlen rondliepen tussen bloemstillevens en naakten van Sluijters.

Met deze moeizame vergelijking tussen twee totaal verschillende exposities begint De subversieve charme van de bourgeoisie, een raadselachtige tentoonstelling die zich uitstrekt over tien zalen.

De “subversieve charme van de bourgeoisie' uit de titel verwijst naar de film Le charme discret de la bourgeoisie van Luis Buñuel. Het klinkt als prettig uitziende kunst, met iets ondeugends. De eerste paar zalen bevestigen dat gevoel. Stillevens uit die openingsdagen van het museum hangen er naast recente kunst uit andere collecties. Lukas Duwenhögger bouwde een installatie met een lamp en bloemenbehangetje. Een doek van Mondriaan kijkt uit op een kleed van Paulina Olowska, dat voortborduurt op zijn lijnenpatroon.

Maar wat de expositie wil zeggen, blijft nog onduidelijk. Mooie werken zijn er volop - van Ensor, Charley Toorop, Sluijters, hedendaagse Poolse kunstenaars - alleen had een andere titel even goed gepast. De erfenis van avant-garde?

De ontknoping volgt in de vaste opstelling van El Lissitzky en kompanen. Het Van Abbe bezit de grootste collectie Lissitzky buiten Rusland, en in die vier zalen loopt nu de tentoonstelling door. Naast Moholy Nagy hangt ineens een toverelfje van Silke Otto-Knapp, en de tekeningen van El Lissitzky kijken uit op een bloemstilleven van Gillian Carnegie. Had El Lissitzky nog geleefd, dan zou hij stampvoetend zijn weggelopen en de organisatie voor reactionair hebben uitgemaakt. Want hier dient zich een onverwacht verband aan.

Door de aangename hedendaagse kunst te combineren met oudere avant-garde, lijkt deze ineens ook vriendelijk en decoratief. De kale beeldtaal van de vroegmodernen was destijds zeker niet bedoeld om te behagen. Hiermee degradeert het Van Abbe zijn eigen topstukken: kapitaalvernietiging, om in termen van de burgerij te spreken.

De vraag is of het museum dit zo heeft bedoeld. Wilde het niet gewoon een paar collecties bundelen en kijken of daar een verband met de burgerij in te vinden was? Dat had dan een link kunnen vormen met de eigen geschiedenis van het museum: het Van Abbe ontstondzeventig jaar geleden dankzij burgergeld. Maar die link maakt het museum niet zichtbaar. Wat het wel doet, is de angel uit de avantgarde halen. Het maakt het wat charmant, zoals de tentoonstellingstitel aangeeft. En die subversieven? Dat zijn hier vooral de iconoclastische curatoren.

Tentoonstelling: “De subversieve charme van de bourgeoisie', t/m 3/9 in het Van Abbemuseum, Bilderdijklaan 10, Eindhoven. Di-zo 11-17u, do 11-21 u. Inl. 040- 2381019 of www.vanabbemuseum.nl

    • Sandra Smets