Smaak

De mens heeft de neiging zijn smaak, op welk gebied dan ook, uit te dragen. De vraag is of de mens daar goed aan doet. Mijn indruk, als ervaren mens, is dat hij zich beter wat bescheidener kan opstellen. Want de andere mens zit doorgaans helemaal niet op zijn smaak te wachten.

Zeker als het om muzikale voorkeuren gaat, betreden we een gevaarlijk gebied. De verleiding kan groot zijn. Het feestje is bijna voorbij, de meesten zijn al weg, en in de ingetreden rust wil de gastheer de overgebleven verwanten nog even een paar mooie nummertjes laten horen die hem diep in de ziel hebben getroffen.

We horen hoe een middelmatige zanger zich door een zwijmelende popballad met een clichématige tekst worstelt en we denken bezorgd: “Wat zou hij dáár nou aan vinden?“

De gastheer kijkt ons verwachtingsvol aan. Wij knikken beleefd. “Mooie melodie“, zeggen wij, “met gevoel gezongen.“

De gastheer is opgetogen. Het hoogtepunt van de avond lijkt voor hem nu pas bereikt. “Op zijn eerste cd staan een paar nummers die nog veel beter zijn“, zegt hij, en hij staat al op. “Ga nog niet weg, ik haal 'm even.“

Twee volledige cd's verder mogen we eindelijk naar huis. “Ik brand ze wel even voor je“, roept de gastheer ons nog na, “morgen breng ik ze langs en dan neem ik ook die bootlegs nog mee.“

Zelf beging ik onlangs de blunder een nummer van een van mijn favoriete zangeressen aan een paar jonge mensen te laten horen. In dit nummer laat de zangeres haar stem in het refrein steeds even naar een hoger register overslaan. Zo'n kopstem kan iets ontroerends hebben als het niet te veel een trucje wordt. Hier werd het een soort dramatische snik, die voor mijn gevoel nog net binnen de grenzen van het geoorloofde sentiment bleef.

De jonge mensen keken elkaar aan en glimlachten even. Opeens zag ik mezelf terug in hun positie, en ik besefte wat ze dachten: mijn hemel, wat een vreselijke kitsch, dat hij dat móói vindt, wat sneu! Na enkele minuten konden ze zich niet meer inhouden en begonnen het nummer parodiërend mee te neuriën. “Aardig nummer, maar het duurt wat lang“, zeiden ze na afloop, maar toen had ik me al van schaamte in de open haard geworpen.

Ik moest terugdenken aan het moment waarop ik tegen een Nederlandse schrijver zei dat ik Milan Kundera een belangrijke schrijver vond. Hij keek me ongelovig aan, nam me van hoofd tot voeten op en riep bijna verbitterd uit: “Kundera? Dat is toch he-le-maal niks!“ Ik nam me meteen voor vanaf morgen álle boeken van deze schrijver te gaan lezen, want iemand die Kundera zó ver achter zich had gelaten, moest zelf aan een wel heel bijzonder oeuvre werken.

Dergelijke ervaringen hebben een louterend effect op de smaakmissionaris die in ons trotse hart zetelt. Hij moet een toontje lager zingen, er zit niets anders op. Enkele aanbevelingen. Laat voortaan op partijtjes een mooi muziekje op de achtergrond meelopen, niet te hard, niet te zacht, leg niets uit, praat er ook zelf doorheen en koester hooguit de (meestal ijdele) hoop dat een gast, al is het er maar één, zegt: “Wat draai jij daar? Goh, wat is dát mooi, wat is dat vreselijk ontroerend, mijn leven zal nooit meer zijn wat het geweest is, geef me namen, titels, jaartallen, allemachtig, wat een geweldige smaak heb jij, zullen wij samen gaan slapen?“

    • Frits Abrahams