Raak het aan

Aan de Belgische kust tussen De Panne en Knokke staan dertig kunstwerken. Olifanten, reusachtige baby's en een tien meter hoge spin veranderen het strand in een scienfictionachtige wereld. En alles vraagt erom betast te worden.

Houten olifanten van de Zuid-Afrikaan Andries Botha op het strand van De Panne foto Leo van Velzen De Panne, 31/03/06. Kunstwerk van Andries Botha op het strand van De Panne, in het kader van Beaufort Buiten, kunst aan de kust. Foto Leo van Velzen Nrc.Hb. Velzen, Leo van

“Naar Knokke? Daar zult ge nooit geraken“, zegt de vrouw tegen me. Dat denk ik ook niet. Palmzondag, de eerste dag van een bezoek aan de Vlaamse kust, loopt ten einde en inclusief de tramrit vanuit Oostende naar de meest zuidelijke badplaats van de buitenkunst expositie Beaufort 2006, De Panne, heb ik in vijf uur vijf werken gezien. Nog 25 werken, acht badplaatsen en tientallen kilometers te gaan tot Knokke, de meest noordelijke deelnemer. In dit tempo heb ik een goede week nodig om alles te zien.

Het kunstparcours begon in de Onze-Lieve-Vrouwekerk van De Panne, met een kritische tekst van de Congolese schilder Chéri Samba (1956) onder een blauwrood geschilderd hart. “De ware kerk is niet de synagoge, de bijbel, de koran of in het samenkomen van mensen. De echte kerk zit in je hart, zeggen de Congolezen. Waarom verkiezen de mensen dan in het openbaar te bidden? En wat zeggen ze van Mattheüs hoofdstuk 6, vers 5 en 6?'

Bij een aarzelende entree maant de kosteres, gestoken in dikke zwarte bontjas, de bezoekers verder naar binnen te gaan en zich om te draaien. “Hier hangt het, in het oksaal.“ Ze steekt de waxinelichtjes in roodglazen houdertjes aan. “Hebt ge de olifanten al gezien? Aaah. Magnifiek. Das mooi.“ En weer opent ze haar mond voor een langgerekt “ah“. De houten olifanten van Zuid-Afrikaan Andries Botha zijn een van de aandachttrekkers van Beaufort. Over Samba, die het bidden ter kerke aan de kaak stelt, wil ze het niet hebben. En het derde werk in het dorp vindt ze “niet zo mooi“. Nee, de olifanten. “Ik ben groot, maar ik stond toch zó te kijken.“ Ze legt haar hoofd theatraal in haar nek. “Al die bouten en moeren die niet zijn weggewerkt. Als ze die maar niet losdraaien. En ik ben wel bang dat er in de zomer jongens vuurtjes onder gaan stoken, dan hebben we brandende olifanten.“

Het meest zuidelijke werk van Beaufort bevindt zich achter de laatste bebouwing. Net na het uiteinde van de boulevard, waar een standbeeld van Leopold I pronkt, de vader van Congo-plunderaar Leopold II, op Lenin/Saddam-formaat, voor een kolossale hoekige overwinningsboog. In de duinen ligt de boot die Albert De Zutte hakte uit de stam van een lindeboom. Halverwege modelleerde hij twee armen.

De Beaufort-editie van drie jaar geleden lokte zevenhonderdduizend toeschouwers. Waarom? Het is een prachtig publieksvriendelijk concept. Bij buitenkunst hoef je je handen niet thuis te laten. Bezoekers kloppen op De Zuttes boomstamboot, ze wrijven en aaien het hout. Hoe ruikt kunst? Een man wil het weten en legt zijn neus tegen het hout. Bij buitenkunst is museale zwijgzaamheid overbodig. Je kunt gewoon je mond opendoen. “Het is bedoeld als een boot die is aangespoeld met vluchtelingen“, legt een man aan zijn vrouwelijk gezelschap uit. “Bij Leopold!“ zegt zij, en ze lachen. “Het uitbranden van de binnenkant is een techniek die indianen vroeger ook gebruikten“, weet een jongen.

Toeristenfuik

De olifanten van Botha staan op een kwartier lopen, aan de noordkant van de boulevard. Dat blijkt opzet. In alle dorpjes zijn de kunstwerken neergezet in een grote driehoek, met maximale onderlinge afstand. Twee aan de uiteinden van de boulevard, een derde in de kerk in het centrum, opdat het dorp optimaal wordt bestreken. Het kunstparcours als toeristenfuik. Niet voor niets doen alle steden enthousiast mee aan Beaufort. En het moet gezegd: deze Palmzondag is De Panne een poel van drukte en gezelligheid. Supermarkten moeten het hier moeilijk hebben. Elke inwoner maakt hier zijn eigen eten en schenkt zijn eigen drank. De laatst aangekomenen begonnen een fietsverhuur, met ook skelters, duoskelters, familieskelters en trapauto's. Handig om de kilometerlange boulevard te overbruggen. Zeker bij die straffe westenwind en felle voorjaarszon, die dikke jas én zonnebril vereisen.

Anders dan bij de boomboot is het heel druk bij de olifanten. De grootste kijkt vanaf een zandverhoging dicht bij de duinen neer op een groep van acht die naar de zee rent. Alle kleine jongetjes zijn gefascineerd door wat er uit de zak van de olifant steekt: een eikel groter dan hun eigen hoofd. Ze gaan eraan hangen om de pik verder naar buiten te trekken, geven er klappen op en gillen: hij gaat plassen! Hun jonge moeders passen wel op zich ermee te bemoeien.

Ook hier kijkt het publiek met zijn handen. Het hout wordt beklopt en betast. Een jongetje jengelt dat-ie op de kleinste olifant wil zitten. Opa helpt hem erop, waarna oma eindeloos roept: “Stefke, kijk maar naar mamma!“ Het is het signaal aan andere kinderen en ouders de kleine olifanten te bestijgen. Eén op de twee aanwezigen heeft geen camera. Als het publiek onderzoekend kijkt, is het om de beste fotopositie te bepalen. Botha wil met zijn werk een Afrikaans cliché uitdrukken. Tegelijk wil hij aan het denken zetten. Hij liet het werk uitvoeren door tien zwarte kunstenaars en gaf het de titel: You can buy my heart and soul. Mooi, maar Afrika is ver weg hier. Ik denk aan de kosteres, die hier “alleen met meneer“ vertoefde. Dat moet aangenaam zijn geweest.

De volgende stopplaats is Koksijde. Op de archeologische site van Abdijmuseum Ten Duinen bouwde de Italiaan Mimmo Paladino (1948) een installatie. Het is best even schrikken, al die op hun zij liggende, naakte terracotta-figuren op restjes muur. Slapen ze of zijn ze dood? De wandelgids van Beaufort geeft, zoals op alle vragen die kunst zou kunnen stellen, antwoord en uitleg. Ze zouden slapen, maar dat verklaart niet de krassen in de dijen en buiken, het meegebakken zand, de glazuurvlekken en de losse armen.

Weer drie haltes verder met de kusttram ligt er in Oostduinkerke een vissersboot op het strand. Voor de deur in de zijkant houdt een onbestemd grijsnaakt dierenfiguur de wacht - met kaplaarzen, wandelstokken en bokkenhoorns op. Achter in het ruim is de grond bezaaid met vervuilde rode werkmanshandschoenen. Ernaast ligt een berg machetes en sikkels. Op de handschoenen graast een grijsnaakt lammetje. De associatie met slaven en slavenarbeid ligt voor de hand, ook gegeven de Zuid-Afrikaanse afkomst van de maakster, Jane Alexander (1959). Het zijn vooral de keurige stapels nog schone handschoenen tegen de wand die het werk een verontrustende geladenheid geven.

Dan lopen eerst een man en vervolgens twee vrouwelijke bezoekers zonder mankeren over de handschoenen heen om het werk van de andere kant te bekijken. Een van de vrouwen klopt het lammetje in de nek, haalt haar schouders op naar haar vriendin en vertrekt weer. Ik krijg het plaatsvervangend warm. Waar is de suppoost!? Buiten staat iemand van de organisatie. Mag dat, over de handschoenen heen lopen? Ze schrikt. “Nee! Deden ze dat weer? Ik heb het al vaak mensen moeten zeggen. Maar ik moet dan hier, dan daar zijn. Ik ben maar alleen.“

De horde opvoeden

Waar dat hier en daar kan zijn, is niet duidelijk. En haar uitleg is weinig bevredigend. Moet de bezoeker zelf waarschuwend optreden? De tweede optie is aanlokkelijker: de horde moet opgevoed, maar niet met buitenkunst. In een museum, helemaal niet zo'n gek concept, krijgen ze niet de kans iets te vernielen.

Op de halte tref ik de twee vrouwen weer. Ik besluit de horde aan te spreken. Op mijn vraag antwoordt de schouderophaler met stalen gezicht: “Het mag. Het is onderdeel van Beaufort om contact te maken met de werken. De kunstenaars willen dat zelf.“ Volgens de medewerkster toch niet, zeg ik. “Er bestaat verschil van mening over. Maar het voelde goed aan de voeten.“

Schuin in het zand gestoken voor de boulevard van Nieuwpoort ligt een met wolken beschilderd paneel van de Oekraïense schilder Ilja Kabakov, getiteld Gevallen hemel. Luchtige onzin. Verderop staat een werk dat resteert van Beaufort 2003: een kleine Jan Fabre-figuur op een enorme schildpad, geheel in brons gegoten, op weg naar zee. Searching for Utopia heet het werk van de Belgische kunstenaar, en de karikaturale bravoure en het optimisme doen glimlachen. Het brons voelt goed aan de handen.

Schedels

In de Onze-Lieve-Vrouwenkerk hangt een metershoog doek van Daniel Richter. Vier kleurige figuren met De schreeuw-achtige schedels in krijtachtige lijnen ontsnappen aan of dansen in de vlammen. Het licht wordt door glas-in-lood gefilterd, de stilte is gewijd, en eindelijk is er gelegenheid in afzondering te kijken. Helaas zijn de omstandigheden beter dan het doek.

De volgende ochtend begint met weer een doek, in het kleine kerkje van Westende, met ongeïnspireerde droedels van Luc Zeebroek (Kamagurka). Onder het hemelsblauwe doek zie ik de benen van een man die even knielt. Arme gelovige. Wat zou de kerkbesturen bezielen om hun godshuizen te behangen met moderne kunst?

In Middelkerke plaatste de Tsjech David Cerny (1967) twee enorme zwarte gestileerde baby's, met op de plaats van gelaatstrekken een verticaal raster. Ze kruipen tegen de steile zeewering van de boulevard op. Geestig en gek. Meer wordt het niet, al rept het informatiebord van provocatie: “Met zijn sculpturen schudt hij de toeschouwers wakker en via zijn absurde en satirische beelden uit hij zijn kritiek op de samenleving en de kunstwereld.“ Dat kan zijn - toen hij zijn baby's plaatste op de televisietoren van Praag - maar in een beeldenroute werkt het niet. Cerny maakte ook een variatie op de haai van David Hockney, door een Saddam Hussein-pop op sterk water te zetten, maar het werk werd uit angst voor islamitisch commentaar niet in Middelkerke geplaatst. Zijn provocatie werd geneutraliseerd, tot museumkunst, en staat nu in veilige afzondering tussen witte muren in Oostende.

Het zou mooi zijn om zo maar tegen die twee reusachtige baby's aan te kunnen lopen. Zonder dat je op je hoede bent voor kunst die eruitziet als kunst. Al die monumentale, volumineuze stukken in Beaufort willen ontregelen, maar dat lukt alleen als het toeval en de onwetendheid hun werk kunnen doen. De argeloze toerist zal opkijken van de Beaufort-werken.

Maar wat vinden baby's zelf van hun opgeblazen soortgenoten? Een moeder vraagt het aan haar tweejarige in de driewieler. Ze trekt een stukje van de doorzichtige hoes los die het kind beschermt tegen de snijdende wind op de kade. “Zie je dat? Mooi hè. Grote baby's!“ En wijzend naar een derde exemplaar op het casinodak. “Gaat de baby van het dak vallen?“

Aan de rand van Oostende ligt James Ensor begraven. Marvin Gaye werd in Oostende vermoord, Charlotte Mutsaers schrijft erover, maar Ensor is de beroemdste kunstenaar die de eens mondaine badplaats heeft voortgebracht. Verrassend plomp en bescheiden is daarom zijn graf, gemetseld van grauwe baksteen. Des te geweldiger is de tien meter hoge spin die de Franse Louise Bourgeois (1911) over het graf heen plaatste. Op afstand biedt het dier de dreigende indruk van een War of the Worlds-ruimteschip. Maar eronder staand zie je de marmeren eieren onder haar lichaam hangen en voel je de bescherming die er van haar uitgaat. De ziel van Ensor wordt hier waarlijk gekoesterd.

Daarmee zou het af moeten zijn, maar er liggen vijf bloemboeketten en een krans op het graf. Op de hardgekleurde linten valt te lezen dat ze komen van de Cultuurraad Oostende, de stad Oostende en van Willy Van de Bussche, nota bene de curator van Beaufort 2006. Wat een wanhopig idee om zo het graf kleur te willen geven. En wat een zwak ontwikkeld gevoel voor hoe de spin van Bourgeois deze plek met liefde zou laden.

Knokke, daar zult ge nooit geraken. Het tempo moet omhoog, de vermoeidheid genegeerd. Ik verlang heel erg naar een museum, waar alles lekker bij elkaar staat. Trams komen om het kwartier. In de tussentijd kan best een werk gezocht en bekeken worden. Kunst die te ver van de halte ligt: schrappen. Een kortere weg door de duinen, over een hek geklommen, de verlaten weg langs het strand bij Bredene op. Tegen de horizon leunt een potloodtekening, het werk van de Spanjaard Josep Riera I Aragó (1954). Het is van een verademende ijlte en beperktheid. Tweemaal een halve cirkel met streep erdoor, als een pijl en boog, op hoge poten, naar zee gericht. Voor het eerst dringt er iets door van het wat lamme thema van Beaufort: leven aan zee. Misschien omdat hij van Barcelona is, kan de kunstenaar zo treffend nietigheid en verzet uitdrukken.

Ook in De Haan wacht een surprise, een marmeren witte plaat in het duinzand, met een dunne boom ertegenaan geplant. Van Giuseppe Penone (1947) moet de plaat eroderen. Aan de krassen en butsen te zien helpen sommigen de natuur een handje. Door naar Wenduine, waar Luk Van Soom (1956) het sciencefiction-hart sneller laat kloppen. Midden op het strand staat een gigantische ijzeren boom, met gouden uitlopers, waarin zich lampen laten vermoeden. Wat zou het mooi zijn Beaufort vanaf een boot te bezichtigen. Wat zouden plunderaars die België willen enteren, schrikken als ze de kust naderden!

Onnadrukkelijkheid

Zes haastige uren onderweg. Nog vier dorpen. Andere kunstliefhebbers worden steeds schaarser. Blankenberge is tijdverlies. Zeebrugge zeker niet: bij uitzondering biedt één tramhalte twee keer kunst. In de hoeken van een witgepleisterd Romaans kerkje hangen vier schilderijtjes van een prettige onnadrukkelijkheid. De Duitse Monika Baer (1964) schilderde vallende tien-eurobiljetten die bijna opgaan in hun groenbeige achtergrond. Dit is het huis van God en zijn collectebus, zeggen ze. Op het strand opnieuw imponeerkunst van twintig meter hoog. Beaufort houdt van big. Gentenaar Jean Bilquin (1938) zette op twee betonnen schragen een witstenen streep waaruit abstracte figuurtjes opkomen. Welkomstcomité, ark, drenkelingen?

Dan, voorbij Heist, eindelijk, Knokke. Er geraakt.

De laatste halte van de kusttram is het station. Tot slot moet het meest noordelijke kunstwerk worden bezichtigd, een eind weg op de kaart. Het blijkt een goed uur stevig doorlopen. De wind blijft hinderen en de voorjaarszon doet zijn brandende werk. Het is zweten en gloeien en toch huiveren van de kilte. De boulevard van Knokke is eindeloos. Bijna spring ik bij twee jongetjes achter op een skelter. In zee, in de verte, ligt het werk van de Chinees Zhang Wang (1962). Zodra ik in het schetterend staal op een vlot menselijke figuren ontwaar, hou ik stil. Hedendaagse Vikingen, bootvluchtelingen, besluit ik - al wil de wandelgids mij een andere uitleg opdringen. Alleen zo, ontspannen en comfortabel dobberend, wil je ons zien, lijken ze te zeggen. Kijk ons. Jij hebt alleen zere voeten.

Beaufort 2006 in Belgische kustgemeentes (tot 1 okt, dag) en PMMK, Romestraat, Oostende (di t/m zo, 10-17u). Inl. 003270225006 en www.2006beaufort.be. Wandelgids 5; catalogus 30. Tussen De Panne en Knokke rijdt de kusttram, 80 haltes, 27 keer met kunst. De circa 60 km is ook per fiets overbrugbaar. Een tocht per auto valt af te raden.

Rectificatie / Gerectificeerd

In het artikel Raak het aan, over de beeldententoonstelling Beaufort 2006 (14 april, pagina 19), wordt het werk van kunstenaar David Cerny vergeleken met de haai op sterk water van David Hockney . Bedoeld is de haai van de Britse kunstenaar Damien Hirst.

    • Ron Rijghard